Posts tonen met het label Gorter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gorter. Alle posts tonen

vrijdag 22 augustus 2025

Dichters over Gorter: Hans Faverey

  

In Het ontbrokene, Favereys laatste, nog geen dertig gedichten tellende bundel die in 1990 verscheen, is dit gedicht te vinden: 

 

Gorter aan zee  

 

Alsof hij daar staat, daar  

waar het strand het smalst is,  

aan de voet van zijn duin  

een misschien al enigszins 

tanige, eigenzinnige man: zoals  

iemand die uitkijkt over zee,  

maar die alleen is met zichzelf.  

   

Lang voor Croesus over de Halys trok,  

bespiedde hem echter, op haar buik 

in het helmgras, half opgericht,  

Alkinoös' tintelende dochter, en kan  

het niet geloven wat zij ziet. Toch  

  

traint hij, nu hij zelf zich daar voor  

uittrok, alleen op zijn serve. Telkens 

gooit hij een bal in de lucht en slaat  

hem uit alle macht terug naar zee.  

Sommige ballen halen het nog net  

en vallen ook echt in zee; andere  

redden het niet, komen terecht 

  

op het strand; mochten zijn verscholen  

in schuim. Juist op de leegste middag  

van zijn leven keert een getaande man,  

die opnieuw te vroeg zal sterven, terug  

naar zijn branding; hij bukt zich, 

verzamelt zo veel als hij kan van die  

natgrijzige ballen, bergt ze op 

  

in dat zeegroen net. Dan loopt hij terug,  

raapt zijn racket op en begint aan de klim,  

met diezelfde loodzware zak vol stenen, 

op tegen gretigst geduinte. Arrianus  

is het, die beschrijft hoe Epictetus  

 

leert over het weinige  

daarover met ere men beschikt. Niettemin,  

telkens zodra er nog iemand is die Scheria 

niet is vergeten, en die sommige verzen blijft 

          herlezen van deze onbuigzame man, wordt juist  

dit vergeefse, aan het helder strand der zee  

bevochten, door geen poëzie meer uitgewist. 

 

Het ontbrokene was Favereys achtste bundel. 'Gorter aan zee' laat een tendens zien die vanaf de vijfde bundel, Zijden kettingen uit 1983, steeds duidelijker werd: de afzonderlijke versregels en de gedichten als geheel dijen uit. Soms vullen de gedichten zelfs bijna een hele pagina. Dat verschilt nogal van de eerdere bundels waarin regels vaak niet meer dan drie of vier woorden telden en strofen niet meer dan drie of vier regels. 'Gorter aan zee' lijkt van die ontwikkeling het culminatiepunt: 241 woorden die verdeeld zijn over negen volzinnen en zich in een vloeiende stroom laten lezen. Haperen doet de lezer misschien bij het merkwaardige 'daarover' en bij verwijzingen die niet meteen zijn thuis te brengen: wie was Croesus ook alweer en waarom trok hij over de Halys? Maar elliptische zinnetjes ontbreken en het gedicht kent een beschaafd aantal witregels. Het is het langste gedicht in Favereys oeuvre, het enige dat over meer dan één pagina moet worden afgedrukt. 

 

Het ontbrokene verscheen vlak voor Favereys dood. Volgens criticus Rein Bloem, die Faverey goed kende, is 'Gorter aan zee' nog vóór de 'jobstijding' geschreven, voordat hij te horen kreeg dat hij ongeneeslijk ziek was. De cyclus die op 'Gorter aan zee' volgt, 'Een gieter', is van acuut doodsbesef doortrokken; het zou betekenen dat dit atypische, lange gedicht het laatste was dat voor Favereys ziekte tot stand kwam. Een mogelijke formele ontwikkeling in de poëzie werd wellicht afgebroken. De tien gedichten van 'Een gieter' wijken wat de strofeopbouw betreft niet af van eerdere bundels.  

 

Wie is Gorter in de eerste strofe? De historische Gorter? Het lijkt er wel op: foto's laten een tanige, ascetische man zien en eigenzinnig was hij als mens en dichter zeker. Maar staat hij echt aan zee? Het eerste woord van het gedicht is 'alsof'. Staat daar iemand die op hem lijkt? Vreemd is ook 'misschien' in de vierde regel. Iemand die misschien al enigszins tanig is...  'Tanigheid' is geen vage eigenschap: je bent het wel of niet. Is de man die daar staat niet goed zichtbaar?  

 

In de tweede strofe wordt 'Gorter' van zijn Hollandse negentiende-eeuwsheid ontdaan. Wie Croesus was en waarom hij de Halys overtrok, hoe het zat met Alkinoös' dochter: het valt allemaal uit te zoeken en er vallen geleerde artikelen over te schrijven. Maar Faverey was geen constructeur van een historische kruiswoordpuzzel, hij schreef een gedicht - een gedicht over een man die dacht dat hij alleen was met zichzelf. Dat blijkt in meer dan één opzicht niet zo te zijn: de unieke, historische 'Gorter' had al heel lang geleden een voorganger - een man die werd bespied door een tintelend meisje. Het eenmalige erotisch moment krijgt iets boventijdelijks en exemplarisch. Tijd bestaat in alle hevigheid wel en niet - voor het spiedende meisje en voor de lezer die als een voyeur de hele scène mag aanschouwen 

 

Eenmalige, zich repeterende momenten vullen ook de derde strofe, vol activiteit van de tennissende Gorter. In de vierde strofe blijkt de tanige man inmiddels getaand te zijn: er heeft zich de nodige tijd voltrokken. 'Opnieuw te vroeg sterven' - is dat een formulering voor zoiets als eeuwige vergeefsheid, de eeuwige vergeefsheid van het menselijk streven? Ze wordt telkens weer ervaren op wat telkens weer de leegste middag lijkt te zijn. Misschien is dat wel het weinige waarmee 'men' eer inlegt: streven tegen beter weten in. Iemand die dat deed, was Gorter; naar hem en zijn poëzie verschuift het perspectief in de slotregels. Het is poëzie die herlezen blijft worden: ook hier de continuïteit van zich repeterende momenten - net als bij de ballen die steeds opnieuw worden opgegooid en het duin dat steeds weer opnieuw wordt beklommen. Paradoxaal lijkt het slot: het vergeefse in sommige verzen wordt door geen poëzie meer uitgewist. Door poëzie van anderen? Door andere poëzie van Gorter zelf? In 'sommige verzen' is het hem blijkbaar gelukt om het zich repeterende vergeefse onder woorden te brengen. Die verzen zelf zijn niet meer nodig - zo zichtbaar is het geworden. Als de ladder die je wegtrapt wanneer het hoge doel is bereikt.  

 

Die laatste vergelijking plaatst Faverey en zijn gedicht in de traditie van de mystiek, met haar hoge doelstelling. Het is een traditie waarmee Faverey nogal eens in verband is gebracht - met heel uiteenlopende varianten daarvan. Presocratische filosofen, zenboeddhisten, een middeleeuwse mysticus als Meister Eckhart: in beelden en door middel van paradoxen probeerden ze een besef onder woorden te brengen. Favereys eigen variant is de esthetische. In niets wordt de leegte van de wereld zozeer zichtbaar als in schoonheid: de schoonheid van muziek die uit niet meer dan formele patronen bestaat, van een tuin - 'een kortstondige huif over het zijnde' in 'Een gieter'-, van een schuw vogeltje als de ijsvogel, van het 'zo mooie hoofd' van de geliefde Rozenmond. 'Vier gedichten en Rozenmond' is de laatste afdeling in Het ontbrokene. Op het gedicht waarin ze in bad zit en haar naam valt, volgt een gedicht waarin alles kort en klein geslagen wordt in wat een 'veilig huis' leek te zijn; het is het laatste gedicht van de afdeling met daarna een blanco pagina. Dan het bekende, laatste, titelloze gedicht waarin een 'ik' probeert nog iets uit te spreken voordat hij met stomheid wordt geslagen. 

 

Halverwege de bundel staat een getaande man aan zee met een voorraad tennisballen. De Gorter die Faverey oproept, is niet de jonge dichter van Mei en ook niet de Gorter van de sensitivistische Verzen uit 1890. Toen Verzen verscheen was Gorter vijfentwintig. De Verzen beschrijven, suggereren, evoceren een heel scala aan intense, extatische, soms de hele persoonlijkheid ontwortelende unieke ervaringen - niet de ervaringen van een man die na zijn misslagen natgrijzige ballen opraapt uit het schuim en ze weer opslaat. Favereys Gorter is de Gorter die Jacob Groot tien jaar eerder onder de aandacht had gebracht met zijn boek Nieuwe muziek en met zijn heruitgave van Liedjes, al zal Faverey de Liedjes veel langer hebben gekend. Drie delen Liedjes; aan de geest der muziek der nieuwe menschheid, die Gorter in 1919 en in 1924 in een kleine oplage had laten drukken en waarin hij niet alleen probeerde die geest te laten klinken, maar volledig in die geest te zijn. In vaak zeer korte gedichten: midden op de pagina staan soms nog geen tien woorden. Op pagina 72 van het eerste deel bijvoorbeeld: 'Een gouden wereld,/ Waarin mijn geest parelt.'; op de tegenoverliggende pagina: 'Ik heb mij gedompeld/ Nu diep in Uw gouden leest,/ En als een parel straalt nu / In Uw gouden Geest mijn geest'. Enkele pagina's verder: 'Zooals een meer,/ Waarin een ster/ Zou schittren/ Ver en teer.'; op de volgende pagina: ' Zooals een ster/ Zijn glans,/ In een meer/ Haar dans.' Vaak zijn het gedichten met minieme variaties waarin ook het visuele belangrijk is: soms staan gedichten gecentreerd op de pagina, even later niet; soms creëren inspringingen een visueel patroon, in andere gedichten begint elke regel bij de kantlijn. Ook het toe- of afnemend aantal regels in opeenvolgende gedichten schept een visuele orde. Het zou een taaie klus zijn om alle typografische variaties in de drie delen van de Liedjes te beschrijven en niet meer opleveren dan wat elke lezer op elke pagina in een oogopslag ziet. 

 

'Geluk, Vrouw, Menschheid': op pagina 59 van de Liedjes stelt Gorter ze aan elkaar gelijk. Op pagina 65: 'Heerlijk lichaam,/ Oneindige ziel/ Om mij heen./ Volkomenheid.' Het is het hele gedicht. Even later, op pagina 69: 'Stralende licht/ Haar oogen.' Ook een heel gedicht. Op pagina 70: 'Opgaan in haar hooge/ Geluk.../ Muziek/ Zonder naam. - ' De ervaring van het hoge geluk is een ervaring waarvoor woorden niet nodig zijn: het is een ervaring van licht en muziek. Muziek bestaat bij de gratie van tijdsverloop en herhalingsfiguren; de ervaring van licht is een ervaring in een ondeelbaar moment. Taal veronderstelt tijdverloop en wanneer die taal poëzie wordt, gebeurt dat ook bij de gratie van herhalingen - net als in de muziek. Herhalingen zijn in de Liedjes volop te vinden. Tegelijkertijd zijn de pagina's waarop ze worden afgedrukt vaak voor 95 procent blanco: wat we lezen zijn soms niet meer dan geïsoleerde flarden van versregels. Het kortste gedicht in het eerste deel bestaat uit drie woorden: flarden van een denkbeeldig gedicht, omgeven door wit. Het licht in de Liedjes is niet metaforisch, maar een concrete zintuiglijke ervaring. 

 

Deze Gorter is de Gorter die Faverey het meest heeft beïnvloed. Vermoed ik. De karakterisering van Liedjes past vrijwel naadloos op Favereys eerste twee bundels; 95 procent moet misschien 80 procent zijn. Vanaf Chrysanten, roeiers, de derde bundel uit 1978, worden de versregels en gedichten langer; volwaardige volzinnen strekken zich soms uit over meerdere strofen. In 1990 komt het eindpunt van de ontwikkeling - met een gedicht dat in sommige opzichten nauwelijks meer aan de vroegere Faverey doet denken. 'Gorter aan zee' gaat in de richting van een psychologisch portret. Het beschrijft het telkens weer opnieuw opslaan van tennisballen: het is geen taal die in taal die handeling wordt. Alleen de laatste regels lijken iets paradoxaals te hebben, maar kunnen gelezen worden als een klein credo.  

 

Wie is Favereys Gorter? De Gorter die hier met enige afstandelijkheid wordt beschreven, is een Gorter van wie misschien ook enige afstand is genomen. Wat blijft, is de paradijsillusie van Scheria: het eiland van Nausikaä en Odysseus' laatste oponthoud voor zijn thuiskomst. Net als enkele regels van Gorter zal het steeds weer opnieuw opduiken in de herinnering. Wat Gorter deed, met loodzware stenen een duin beklimmen en tennisballen de zee in slaan: het behoort, met een verwijzing naar de Stoa, tot 'het weinige, daarover met ere men beschikt'. 's Mensen waardigheid schuilt in het nastreven van het vergeefse. En helemaal vergeefs is het niet. Vóór de Liedjes was Gorter de dichter van een omvangrijk oeuvre met omvangrijke epen die een beeld moesten geven van mens en wereld in een stralende toekomst. Faverey reduceert het lezerspubliek tot 'iemand' en het oeuvre tot 'sommige gedichten'. Die zullen, licht pleonastisch als de werkelijkheid zelf, herlezen blijven worden en tellen niet meer dan enkele regels.   

  

  

Hans Faverey, Het ontbrokene, Amsterdam 1990, p. 21-22.
Herman Gorter, Liedjes; aan de geest der muziek der nieuwe menschheid, 3 dln. Bussum 1930. Privédruk 1919-1924. Alle citaten uit dl. 1. Herdruk Amsterdam 1981; de geciteerde gedichten daarin op p. 80-87.
Jacob Groot, Nieuwe Muziek; Een Herman Gorter Boek, Amsterdam 1980.
Rein Bloem, 'De schaamteloze steen', in: Hans Groenewegen (red.), ... die zo rijk zijn aan zichzelf...; over Hans Faverey, z.pl., p. 90-116. Over 'alsof' p. 92-94, 'jobstijding' p. 113. Daarin ook: G.J. Dorleijn, ''...maar van niets het meest'; muziek en poëzie bij Faverey', p. 150-180; C.O. Jellema, 'Doorwoelde stilte', p. 259-276 (Eckhart).
Robert Anker, 'Zenopraat', in: Hans Groenewegen (red.), Door geen poëzie meer uitgewist; dichters over hun gedicht van Faverey, p. 7-9. Daarin ook: Huub Beurskens, 'Goden bestaan immers niet', p. 15-17 (middeleeuwen); Lucas Hüsgen, 'Ja als formule, nee als plek', p. 29-31 (zen); Henk van der Waal, 'Zo mens te moeten zijn', p. 61-63 (presocratici).
Peter van Lier, Geachte afwezigen; het verweer van de poëzie, Gent 2017 (p. 30-49 over Faverey en het zenboeddhisme).
 
Dit is de twintigste dichter over Gorter en de laatste. Eerder over ReveAnkerMarsman I en II, Kuijper I en II,  Kloos I en II, Lucebert, Gerhardt, Verwey, van Tooren, Haft, Wijnberg, 't Hart, van Zonneveld, Bindervoet, Groot, A. Roland Holst, Henriette Roland Holst, Dautzenberg en Komrij. Volgend jaar moeten alle dichters over Gorter terechtkomen in een boek.

Dichters over Gorter: Hans Faverey

    In Het ontbrokene , Favereys laatste, nog geen dertig gedichten tellende bundel die in 19 90 verscheen, is dit gedicht te vinden:     G...