maandag 9 maart 2026

C.O. Jellema: Een eng cocon

Twintig dichtbundels uit 1975 (6)


Het eerste gedicht in de bij Bosch & Keuning in de Seismogramreeks verschenen bundel:

Vader

Van het gebaar waarmee hij eens
de woorden gods heeft onderstreept
bleef weinig over: het schoteltje 
beeft, hij krijgt het kopje
nauwelijks naar de mond, een slokje
thee. 

Zijn ogen echter werden groter,
zo leeg, dat alles wat hij zag
er spoorloos in verdween, een bodemloze
put.

Hij zat, terwijl ik naar hem keek,
zich te verwijderen tot vreemdeling, 
een ding, een eng cocon. 

In 't laatst
een vlinder in de winter,
verdwaasd koolwitje
boven reukloze
sneeuw. Zo 

kwam hij klaar
voor zijn dood.

Vlak ervoor, op de titelpagina van het exemplaar dat ik een paar maanden geleden voor drie euro antiquarisch aanschafte, over drie regels een handgeschreven opdracht: voor mama, 8 XI 1975, Cor. De komma's heb ik toegevoegd. 

Een eng cocon was Jellema's derde bundel. In 1981 verscheen het niet zo omvangrijke De schaar van het vergeten, in 1985 het wel omvangrijke De toren van Snelson. Het is de eerste bundel met voornamelijk sonnetten, de vorm waaraan Jellema lang vast zou houden en waarmee de erkenning kwam. Wie de honderden bladzijden Verzameld werk doorbladert, komt tot op het laatst sonnetten tegen. Vanaf Droomtijd uit 1999 staat Jellema zich weer wat meer variatie toe. Er zouden nog twee bundels volgen: Stemtest uit 2003 en Bosvijver uit 2004. De laatste bundel verscheen postuum. Jellema overleed in 2003.

Van de 32 gedichten in Een eng cocon nam Jellema er zeventien op in het Verzameld werk. Het eerste gedicht dat hij niet opneemt is het derde gedicht in de bundel en sluit voorlopig de gedichten over familiebetrekkingen af:

Familiereünie

Zij voeren vroeger op
met zegelringen, grijze taft.
Voeren elkaar
met vroeger,
peuzelend keuvelend.
Keurig.

De kleverige draad van hun gesprek
vangt de werkster
in haar stofdoek morgen. 

'Taft' moest ik opzoeken: het is een kostbare, zijdeachtige stof. Na het gedicht waarin een vader klaarkwam, lijkt de kleverige draad een nogal voor de hand liggende betekenis te hebben, maar het is moeilijk om die te koppelen aan een keurige familiereünie. En bij nader inzien, dat klaarkomen zelf: het was het klaarkomen voor zijn dood van een witte vlinder in de sneeuw. Deze ejaculatie op een sterfbed: veel smettelozer kun je het niet hebben. 

'Een eng cocon': met het eng cocon van de honderden sonnetten in Jellema's oeuvre heeft de poëzielezer die ik ben, nogal wat moeite. Die lezer ziet zich geconfronteerd met wat hij vaak ervaart als maakwerk - in vrijwel elk gedicht zijn er regels te vinden die geforceerd aandoen. Kenmerkend voor Jellema's stijl zijn bovendien de vele korte, vaak elliptische zinnen. Een willekeurig voorbeeld:

Dingen gebeuren. In ons. Vaker langs 
ons heen. Je voelt. Maar is dat te vertrouwen?
Je voelt een huis. Je denkt te kunnen bouwen.
Je ziet het drijfzand wel. Je kent geen angst

voor wat je ziet. Mijn schild ende betrouwe. 
(..)

Het is het begin van een gedicht uit de bundel In de koude voorjaarsnacht uit 1986. 

In zijn laatste bundels wist Jellema aan het elliptische te ontkomen en af en toe lukte hem dat ook eerder. Bijvoorbeeld in een ander gedicht in Een eng cocon dat aan de overleden vader is gewijd en twee bladzijden telt. Het is het eerste deel van het tweeluik 'In memoriam patris 1961'. Ik citeer het begin:

I. Voor dag en dauw

Wat dood is leeft en wat nog levend is
zal sterven in dit uur. Er is een steen
die zichzelf opheft en gaat zweven; 
zoals er sterren zijn, die zweven en dan vallen,
zo zweeft de steen, het brandend oog 
van een gestorvene; waarop het valt
verschroeit, maar zonder vlammen
geruisloos in de nacht. Je zult nooit weten 
wat of het was; alleen dat het er was
en nu niet meer, weet je, zoals je soms
mist wat je nimmer hebt bezeten,
een hunkering die aan zichzelf verteert, een angst
voor angst, een blindheid die je niet
kunt openscheuren en je sterft aan iets
dat leven wilde, maar geen adem halen kon.
Er is een hand die plotseling 
ontbladert en een schilfer maan schijnt door
de naakte takken die als beenderen kraken.
(...) 

In de nacht overkomt de dichter iets: iets bijzonders wat angst aanjaagt. Heel even zingt een vogel, maar dat geluid verdwijnt weer. Op twee derde van het gedicht, na een witregel:

     Gedachten rijzen tot gedaanten. 
Is dit begin van een nieuw leven?
Nu is er hijgen van een worsteling,
iets dat wil opstaan en zich wil bewegen
en dat met het gezicht wordt neergedrukt
in het klamme zand. Een dof geluid
waarmee voorgoed een eind gemaakt wordt aan
een hoop, een waan, een diep verlangen.

Maar het is niet voorgoed. Opeens is er zelfs een 'ontploffing' van licht:

(...)                          En zo wordt 
het dag, met tranen van vergeving op 
het gras, een koele windstoot als
een laatste adem of de eerste diepe zucht.

'De lofzang van Sint Esmerald' is het tweede gedeelte van het tweeluik; in zijn Verzamelde gedichten nam Jellema het niet op. Meteen al de eerste strofen maken duidelijk dat het een grote uitzondering is in zijn oeuvre:

Beluister de bloei van mijn taal,
het voorjaar van woorden
waarmee loslippig ik lover
loverend ademhaal:

Lof de leeuweriken
die cirkelen in mijn bloed
spiralen van snikken
en overvloed. 

Met dezelfde toonzetting gaat het nog enkele strofen zo door. Daarna lijkt de predikantenzoon ergens afscheid van te nemen:

Opstanding, lof, te midden 
van lichaamspracht, 
poriën biddend,
poreuze smaragd:

o duif van de duivel,
o hart in de hemel,
schat in de schachten
van god buiten schot

verhaal op de veerman
de tol voor de taal:

Lof zij de ochtend.  

Het zijn de laatste woorden in een bundel waarin een lyrisch subject zich even lijkt te hebben bevrijd van wat het benauwde en beperkte - in een lofzang op een heilige wiens naam ik op geen heiligenkalender heb kunnen vinden.  


C.O. Jellema, Een eng cocon, Baarn 1975.
-, Verzameld werk, 2 dln., Amsterdam 2005.
Gerben Wynia, Aan rozen denk ik in de winter; een biografie van C.O. Jellema, proefschrift Groningen 2022.



dinsdag 3 maart 2026

Jan Geurt Gaarlandt: Het ironisch handvest


Twintig dichtbundels uit 1975 (5)


Het eerste gedicht in de bij Van Oorschot verschenen bundel:

Zodoende op weg naar niks,
een bordje kaas voor vogels op
het gras gezet en langzaam in de 
lucht gekeken of er niemand
langs kwam op de wolken -
en ja hoor, niemand.

Het eerste in de ruim veertig gedichten tellende bundel; vijftien daarvan hebben een titel. Twee afdelingen: 'De dichter is een koekoek' en 'Nest ontzegd'. De laatste afdeling is bijna twee keer zo omvangrijk en ontleent haar titel aan een kort gedicht van Chris van Geel dat in zijn geheel wordt geciteerd. Kort zijn ook de gedichten in Het ironisch handvest: acht keer bestaan ze uit niet meer dan een kwatrijn. Pas tegen het eind worden ze langer en vullen ze bijna een hele pagina. Eén cyclus telt de bundel, 'Een vierluikje Cambridge'; de vier gedichten bestaan uit vier of vijf tweeregelige strofen. 

Een debuutbundel van een in 1946 geboren dichter: Jan Geurt Gaarlandt was in 1975 geen aanstormend jong talent. Het ironisch handvest zou zijn enige dichtbundel blijven. In de jaren daarna zou Gaarlandt naam maken als uitgever, onder meer van het werk van Etty Hillesum, en als de auteur Otto de Kat; onder dat pseudoniem verschenen acht romans die welwillend werden ontvangen, af en toe op een longlist of shortlist terecht kwamen en waarvan er enkele werden vertaald. In een precieze en elegante stijl wordt een wereld opgeroepen van fabrikanten en diplomaten - een milieu dat Gaarlandt van huis uit kende en waarin een studietijd in Cambridge niet overdreven bijzonder is. In 1986 kijkt Gaarlandt in een interview in Vrij Nederland terug op zijn poëtische debuut: hij ziet het niet direct als een jeugdzonde, maar wil toch nog maar ‘drie of vier van die gedichten’ erkennen. Het zou me verbazen als het openingsgedicht daartoe zou behoren. 

Welk gedicht verdient nog wel erkenning? Dit wellicht:

Bargoens

Op kippestokken of hanebalken
in het licht bij de hammen in de 
schuur in dromen of in ver-
wilderde tuinen komt het bericht:
jij bent het niet, het is nog veel
te vroeg voor woorden. Pas als de
raaf paart met de koekoek en de
wolf wandelt met het lam
zal je spreken en je moeder
spelen op de harp.

Tarwe en warme melk roggebrood
honing en druiven een lichaam
verzadiging of uren languit in
je schoot - soms valt een zin
in z'n verband; ik was er niet
ik ben er nooit geweest. Pas
op de dag van de witte sprinkhaan
de nacht van de vergeten stem
zal ik dronkener zijn dan brood'
voller dan wijn

als hij neerkomt op een zuil van
vuur, in de gedaante van een dief.

Het is, met zijn gedragen toon en zijn Bijbelse associaties, het meest atypische gedicht uit de hele bundel. Veel kenmerkender is het gedicht er vlak voor:

Bescheiden kroniek

In mijn vensterbank liggen mijn
handschoenen

ze lijken op mijn handen mijn'
handschoenen

van het lange liggen zijn mijn
handschoenen op mijn handen gaan lijken
en andersom

even verderop staan mijn schoenen
daar boven hangt mijn jas

Of tegen het einde van de bundel, zonder titel:

Van nu af aan gaan we weer
kalmer de duisternis in, met
minder last van de verplichte 
lantaarn van het hart, het altijd
goede humeur: als slakken
schuiven we vanéén, droog
op het slijmspoor na, één on-
onderbroken zelfde slijmspoor. 

Weinig grootse illusies ook in het slotgedicht:

Zo blijft het onder ons
dat we de samenloop van de 
omstandigheden wijzigen

kostbare noodzaak om wat 
grond voor voeten te bewaren
duwen we liefdevol elkaar
te water en liggen wachtend
in de schaduw - drijven en
drijven het leven door.

De Sturm und Drang spat er niet echt vanaf. 

Juist dat maakt de dichter Gaarlandt misschien bij uitstek een representant van zijn tijd: het midden van de jaren zeventig. Tien jaar eerder is zijn bundel niet goed voorstelbaar. Wel voorstelbaar is na de idealen en het elan van de jaren zestig genoegen nemen met 'wat grond voor voeten' en 'drijven en drijven het leven door' - in een bundel met als titel Het ironisch handvest. Ironie, illusieloosheid, 'op weg naar niks' met helemaal niemand die langskomt op de wolken: niet alleen geen idealen uit de jaren zestig, ook geen God uit de jaren vijftig. Wanneer is kunst typerend voor de tijd? In hoeverre is de Nachtwacht typerend voor de Nederlandse barok, Van Gogh typerend voor wat dan ook uit de negentiende eeuw? Het zou wel eens kunnen zijn dat een geestelijk klimaat het best tot uitdrukking komt in het werk van de mindere goden. Als Het ironisch handvest, een verzameling gedichten uit 1975, een unieke, hoogstpersoonlijke bundel was geweest en om die reden furore zou hebben gemaakt, zou ze haar inhoud hebben ontkend.  


Jan Geurt Gaarlandt, Het ironisch handvest, Amsterdam 1975
Joost Nijsen, 'Ik wil me ervoor hoeden de ‘Hillesum-uitgever’ te worden; Jan Geurt Gaarlandt van uitgeverij Balans', Vrij Nederland Boekenbijlage 20 september 1986, p. 12.

C.O. Jellema: Een eng cocon

T wintig dichtbundels uit 1975 (6) Het eerste gedicht in de bij Bosch & Keuning in de Seismogramreeks verschenen bundel: Vader Van het g...