De waarheid is niet mooi, ze is zelfs ugly. Ugly als een voet. Ugly moet ook de poëzie zijn. Al in 1996 publiceerde Bindervoet samen met Robbert-Jan Henkes een ‘Manifest achteraf voor Ugly Poëzie':
Want er valt niks mooi te zeggen! (Is onze mening hoor.) Gelul van de straat, onbruikbare restjes hersenactiviteit, opinies en meningen, veel meningen, dingen tussen haakjes (die er eigenlijk niet bij horen), vuile gedichten eigenlijk, alles wat je doet als je niet aan het dichten bent.
Meningen zijn bij de late Gorter volop aan te treffen, maar gelul van de straat niet direct. Gorters eigenzinnigheid en gedrevenheid gaan wat meer in de richting:
Ugly is zuiver en alleen bedoeld om aan te duiden: de gedichten waar iets vreemds mee aan de hand is, de gedichten die zich niet in het keurslijf van de conventie (welke dan ook) proberen te wringen, van het mooi zeggen en het scherp observeren met name en vooral (...) Ugly is: dat je wat te zeggen hebt, dat je weet wat je te zeggen hebt.
Het is vooral het onconventionele aspect dat wordt benadrukt in een korte tekst uit 2009:
Nee, dan de poëzie van Ugly! De ugly poëzie! Dat is het rijk van de vrijheid. Vrijheid in ongebondenheid! (Amen.) Ugly gedichten zijn geen producten die je in je mik gedouwd krijgt, geen afgewerkte instapmodellen uit de poëziefabriek. Er wordt gestunteld, geaarzeld, teruggekrabbeld, getwijfeld, geswaffeld, hardop nagedacht, herhaald, men spreekt zichzelf en elkaar tegen en zegt de verkeerde dingen op het verkeerde moment.
Ruwweg de helft van wat hier ‘ugly’ wordt genoemd, is zonder meer toepasbaar op Gorters sensitivistische Verzen en zijn communistische lyriek en epiek. Geen afgewerkte instapmodellen uit de poëziefabriek en voor het literaire establishment is een epos als Pan al ruim honderd jaar een verkeerd ding op het verkeerde moment. Ook voor Bindervoet? De maatschappij die Gorter zijn lezers voorschotelt is allesbehalve ugly en juist dat lijkt de dichter van Aap en ‘De bloemen van april’ te irriteren. Toch is er iets met de dromer van het arbeidersparadijs dat hem belangrijk genoeg maakt om hem een rol te laten spelen in het eigen werk - één keer zelfs in een gedicht dat de toon zet voor een bundel. Op de jaarlijkse marathonlezing van Mei in Zutphen heb ik Bindervoet zien optreden als een geïnspireerde spreekstalmeester. Is Gorter een Nederlandse dichter die voor ruwweg de helft aan een poëtisch ideaal voldoet? En in die hoedanigheid bijna uniek?
In het septembernummer van de afgelopen jaargang van De Gids verschijnt Gorter voor de derde keer in Bindervoets werk. ‘Gorter zonder mij’ is de titel van een gedicht dat meer dan twee pagina's vult en daarmee te lang is om in zijn geheel te citeren. Het gaat om een voorpublicatie uit een dichtbundel in wording, Erratapedia. Voor zover ik weet is het tot nu toe de enige voorpublicatie en op die manier krijgt ook dit gedicht iets programmatisch. Was ‘Gorter’ als levenslemma een vergissing? ‘Gorter zonder mij’ zou kunnen getuigen van een streven naar encyclopedische objectiviteit, maar dat klinkt wat al te ugly; het nemen van afstand en zelfs een afscheid zijn aannemelijker. En dat is precies wat er lijkt te gebeuren. Het gedicht kent geen strofe-indeling, maar als ik het goed zie bestaat het uit vier ongeveer even lange delen. Die beschrijven stadia van een proces, maar worden ook bijeengehouden door een procedé: het mengen van het eigen taalregister, en andere taalregisters wellicht, met dat van Gorter. Het is het procedé dat we al tegenkwamen in de kwatrijnen van Aap. Verder speelt in het hele gedicht het wit op de pagina een belangrijke rol – niet het wit aan het eind van een versregel, maar aan het begin. Ruwweg de helft van de versregels springt in op de zevende letterpositie en dan zijn er versregels die nog verder inspringen. Het is een manier van werken die in Nederland is toegepast door een dichter als Ten Berge en vaker in Amerikaanse poëzie te vinden is; Pound en ‘cummings’ zijn daar de grote voorbeelden. Heel veel eerder al was er in Frankrijk de late Mallarmé. Het effect is tegelijkertijd esthetisch en dramatisch. Een dichter die op een verwante manier streefde naar een vorm van visuele muzikaliteit was de late Herman Gorter.
‘Gorter zonder mij’ begint als ‘De bloemen van april'. Weer verschijnt Gorter aan ‘mijn voet,/ met korsten en modderige sap bekleed'. Gorter heeft nu een ‘schoon donker godsgezicht’ en was ‘zoals hij was,/ het Heel,/ het helemaal’. Alleen ‘het Heel’ staat tegen de linkerkantlijn; in de lopende tekst zal ik verwijzingen naar de pagina-indeling verder achterwege laten. De hele Gorter is
een impetueuze drijver die waadt in eenzaamheid,
een stijfhoofdige Zaankanter,
maar met overstelpend veel gevoel voor natuur,
waarin hij rondloopt als een dronkene, godbegaafde, begenadigde
een arme jongen met te groot verlangen
De laatste regel verwijst naar een gedicht uit de sensitivistische Verzen. In het tweede gedeelte lezen we wat de arme jongen hoort:
Niets dan stilte, opgelost geluid.
Geen regenroeper zingt, geen koolmees fluit,
de mossen van het dak en uit de lucht
Keurig rijmende regels schetsen de situatie die de situatie van het heden moet zijn, de situatie waarin Gorter aan de voet van de ‘ik’ verzeild is geraakt, met de ‘mos’ die we kennen uit het eenregelige gedicht. Rijm, even later dubbelrijm zelfs, blijkt een formeel kenmerk van stagnatie:
de wereld ingepakt in grauw gevacht en dof
en er is niemand, niemand die als laatste lacht of
In het derde gedeelte begint een kind te tekenen: ’t leven dat lachend voorbijgaat / alsof het leeft’ verdwijnt in de golven. In die golven een ’ik':
mijn naakte armen omhoog in het licht
Het is een ‘ik’ die zich bewust wil zijn van wat
(...) in de zielenevel van binnen riekt en meurt (...)
naar zeedrift, zeebroed, zeebroedsel, zeespog, zeewier,
naar dode dieren, naar vergorterde woordklonten,
naar kadavers en krentenbollen in ontbinding
en zich goed realiseert wat het lot is van de werkelijke verworpenen der aarde die op vuilnisbelten hun kostje bij elkaar scharrelen:
alle drek en puin en alle scherven van geluk die ze naar boven
kunnen halen zijn welkom,
de restanten van een lentevogelgebekte wasknijper,
het weeë gebeente van een scherpslijper,
gelaten uitgelaten scheppen zij voort,
grabbelend in mijn rommelende ingewanden naar gruzelementen,
niet triomfantelijk, dodelijk
want er is iets bruikbaars
Het is het slot van het gedicht. Mei wordt geciteerd, maar van Gorter lijken we ver verwijderd:
(...) er is iets dat bekoort
In ieder ding, en die dat weet, hij gaat
Altijd langs watren, door jong gras, (..)
Die Gorter, de Gorter van Mei, was de Gorter van een geïdealiseerd schoolplein terwijl daar de wetten van de jungle golden. Anders dan een dichter als Lucebert die het failliet van een ideaal vaststelde, wekt Bindervoet de indruk nooit echt in het ideaal te hebben geloofd. De dronkene, godbegaafde, benadigde dichter die Gorter was, had wat te zeggen en trok zich niets aan van poëzieconventies: als dichter was Gorter behoorlijk ugly, maar zijn werkelijkheidsbesef was star en rationeel – allesbehalve ugly. De aanvaardbaarheid van een werkelijkheidsbesef lijkt voor Bindervoet, in het derde decennium waarin hij een gedicht aan Gorter wijdt, zwaarder te zijn gaan wegen. In ‘Gorter zonder mij’ wordt afscheid genomen van een dichter, maar het echte afscheid was misschien het afscheid van het eigen, tegendraadse estheticisme dat ergens in de jaren negentig onder woorden werd gebracht, niet overdreven veel invloed heeft uitgeoefend, maar voor de ontvangst van de eigen poëzie bepalend is geweest. Doeltreffende intertekstualiteit in ‘Gorter zonder mij’: een gelaagd en nog steeds wat geheimzinnig gedicht.