Twintig dichtbundels uit 1975 (6)
Het eerste gedicht in de bij Bosch & Keuning in de Seismogramreeks verschenen bundel:
Vader
Van het gebaar waarmee hij eens
de woorden gods heeft onderstreept
bleef weinig over: het schoteltje
beeft, hij krijgt het kopje
nauwelijks naar de mond, een slokje
thee.
Zijn ogen echter werden groter,
zo leeg, dat alles wat hij zag
er spoorloos in verdween, een bodemloze
put.
Hij zat, terwijl ik naar hem keek,
zich te verwijderen tot vreemdeling,
een ding, een eng cocon.
In 't laatst
een vlinder in de winter,
verdwaasd koolwitje
boven reukloze
sneeuw. Zo
kwam hij klaar
voor zijn dood.
Vlak ervoor, op de titelpagina van het exemplaar dat ik een paar maanden geleden voor drie euro antiquarisch aanschafte, over drie regels een handgeschreven opdracht: voor mama, 8 XI 1975, Cor. De komma's heb ik toegevoegd.
Een eng cocon was Jellema's derde bundel. In 1981 verscheen het niet zo omvangrijke De schaar van het vergeten, in 1985 het wel omvangrijke De toren van Snelson. Het is de eerste bundel met voornamelijk sonnetten, de vorm waaraan Jellema lang vast zou houden en waarmee de erkenning kwam. Wie de honderden bladzijden Verzameld werk doorbladert, komt tot op het laatst sonnetten tegen. Vanaf Droomtijd uit 1999 staat Jellema zich weer wat meer variatie toe. Er zouden nog twee bundels volgen: Stemtest uit 2003 en Bosvijver uit 2004. De laatste bundel verscheen postuum. Jellema overleed in 2003.
Van de 32 gedichten in Een eng cocon nam Jellema er zeventien op in het Verzameld werk. Het eerste gedicht dat hij niet opneemt is het derde gedicht in de bundel en sluit voorlopig de gedichten over familiebetrekkingen af:
Familiereünie
Zij voeren vroeger op
met zegelringen, grijze taft.
Voeren elkaar
met vroeger,
peuzelend keuvelend.
Keurig.
De kleverige draad van hun gesprek
vangt de werkster
in haar stofdoek morgen.
'Taft' moest ik opzoeken: het is een kostbare, zijdeachtige stof. Na het gedicht waarin een vader klaarkwam, lijkt de kleverige draad een nogal voor de hand liggende betekenis te hebben, maar het is moeilijk om die te koppelen aan een keurige familiereünie. En bij nader inzien, dat klaarkomen zelf: het was het klaarkomen voor zijn dood van een witte vlinder in de sneeuw. Deze ejaculatie op een sterfbed: veel smettelozer kun je het niet hebben.
'Een eng cocon': met het eng cocon van de honderden sonnetten in Jellema's oeuvre heeft de poëzielezer die ik ben, nogal wat moeite. Die lezer ziet zich geconfronteerd met wat hij vaak ervaart als maakwerk - in vrijwel elk gedicht zijn er regels te vinden die geforceerd aandoen. Kenmerkend voor Jellema's stijl zijn bovendien de vele korte, vaak elliptische zinnen. Een willekeurig voorbeeld:
Dingen gebeuren. In ons. Vaker langs
ons heen. Je voelt. Maar is dat te vertrouwen?
Je voelt een huis. Je denkt te kunnen bouwen.
Je ziet het drijfzand wel. Je kent geen angst
voor wat je ziet. Mijn schild ende betrouwe.
(..)
Het is het begin van een gedicht uit de bundel In de koude voorjaarsnacht uit 1986.
In zijn laatste bundels wist Jellema aan het elliptische te ontkomen en af en toe lukte hem dat ook eerder. Bijvoorbeeld in een ander gedicht in Een eng cocon dat aan de overleden vader is gewijd en twee bladzijden telt. Het is het eerste deel van het tweeluik 'In memoriam patris 1961'. Ik citeer het begin:
I. Voor dag en dauw
Wat dood is leeft en wat nog levend is
zal sterven in dit uur. Er is een steen
die zichzelf opheft en gaat zweven;
zoals er sterren zijn, die zweven en dan vallen,
zo zweeft de steen, het brandend oog
van een gestorvene; waarop het valt
verschroeit, maar zonder vlammen
geruisloos in de nacht. Je zult nooit weten
wat of het was; alleen dat het er was
en nu niet meer, weet je, zoals je soms
mist wat je nimmer hebt bezeten,
een hunkering die aan zichzelf verteert, een angst
voor angst, een blindheid die je niet
kunt openscheuren en je sterft aan iets
dat leven wilde, maar geen adem halen kon.
Er is een hand die plotseling
ontbladert en een schilfer maan schijnt door
de naakte takken die als beenderen kraken.
(...)
In de nacht overkomt de dichter iets: iets bijzonders wat angst aanjaagt. Heel even zingt een vogel, maar dat geluid verdwijnt weer. Op twee derde van het gedicht, na een witregel:
Gedachten rijzen tot gedaanten.
Is dit begin van een nieuw leven?
Nu is er hijgen van een worsteling,
iets dat wil opstaan en zich wil bewegen
en dat met het gezicht wordt neergedrukt
in het klamme zand. Een dof geluid
waarmee voorgoed een eind gemaakt wordt aan
een hoop, een waan, een diep verlangen.
Maar het is niet voorgoed. Opeens is er zelfs een 'ontploffing' van licht:
(...) En zo wordt
het dag, met tranen van vergeving op
het gras, een koele windstoot als
een laatste adem of de eerste diepe zucht.
'De lofzang van Sint Esmerald' is het tweede gedeelte van het tweeluik; in zijn Verzamelde gedichten nam Jellema het niet op. Meteen al de eerste strofen maken duidelijk dat het een grote uitzondering is in zijn oeuvre:
Beluister de bloei van mijn taal,
het voorjaar van woorden
waarmee loslippig ik lover
loverend ademhaal:
Lof de leeuweriken
die cirkelen in mijn bloed
spiralen van snikken
en overvloed.
Met dezelfde toonzetting gaat het nog enkele strofen zo door. Daarna lijkt de predikantenzoon ergens afscheid van te nemen:
Opstanding, lof, te midden
van lichaamspracht,
poriën biddend,
poreuze smaragd:
o duif van de duivel,
o hart in de hemel,
schat in de schachten
van god buiten schot
verhaal op de veerman
de tol voor de taal:
Lof zij de ochtend.
Het zijn de laatste woorden in een bundel waarin een lyrisch subject zich even lijkt te hebben bevrijd van wat het benauwde en beperkte - in een lofzang op een heilige wiens naam ik op geen heiligenkalender heb kunnen vinden.
C.O. Jellema, Een eng cocon, Baarn 1975.
-, Verzameld werk, 2 dln., Amsterdam 2005.
Gerben Wynia, Aan rozen denk ik in de winter; een biografie van C.O. Jellema, proefschrift Groningen 2022.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten