Oud gereedschap ver van huis
bedenkt geen rondeel om te klagen.
Oud gereedschap huilt niet in het donker
lange weg, lange lange weg
en zingt geen blues want heeft geen stem.
Vlashekel, wan, geen achterban
van dichtkunst, geen plantage, borst
van essehout om aan te rusten.
Oud gereedschap mensheid moe, eeuwen
van huis, zoekt geen plankier
van zangen, van stof, van twist.
Lange weg, lange lange weg
oud gereedschap zingt niet de blues.
Regen geen rum slijpt zijn lemmet en steel,
zijn afgeknapte spaak die hakkelt.
In de vier strofen die volgen, verandert het perspectief: de blik wordt gericht op ‘de sterren’. Daarna:
De sterren zeggen, de hand is op komst
van wie oud gereedschap opneemt en gebruikt
doodgewone ploegschaar, vlashekel, wan:
ze vertellen dat hij komt.
Oud gereedschap mensheid moe
ver van huis, oud gereedschap dat je heersers
overleefde, oud gereedschap ver van huis,
het is tijd voor andere meesters
het is tijd voor de eenvoudige beweging
VAN DE BIJLSLAG RECHT IN HET GEZICHT
van die alles in vuur hebben gezet
langs de weg. Langs de lange lange weg.
Niet alleen een lange weg, maar ook een lang gedicht, dat bijna twee pagina's vult in de nog geen veertig pagina's tellende bundel. Er zijn er meer: 'Van de hoeve', 'De dorsmachine', 'Zwarte wagens', 'Het worstmolentje', 'Het stro'. Heel kort zijn 'De houtkist' met vier en 'De cirkelzaag' met vijf regels. ‘Oud Gereedschap Mensheid Moe’ is het enige gedicht met hoofdletters in de titel, het enige ook met een regel in kapitalen. Het gereedschap dat een bijl is, moet blijkbaar iets te weeg brengen. In het eerste gedeelte verwijzingen naar poëzie en muziek: rondeel, blues, dichtkunst, zangen, nog een keer blues. Ze ontbreken in het laatste gedeelte, met de heilsverwachting: 'de hand is op komst'. Het oud gereedschap zal weer gebruikt gaan worden, te beginnen met de bijl. Degenen die alles hebben vernietigd, ‘alles in vuur hebben gezet’, zullen hard worden geraakt.
Na nog één bundel, Helgeel landjuweel uit 1977, stapte Ter Balkt af van het pseudoniem waarin een oudtestamentische onheilsprofeet en het geluid van een ezel samengingen. De dichter die zich in meer dan één opzicht aan de periferie leek op te houden, vond steeds meer erkenning – met gedichten over het platteland en over Twente, met een stortvloed aan poëzie die niets intellectualistisch had en niets beheersts. De erkenning kwam vooral ook van dichters. Komrij, niet echt een verwante ziel, in de jaren negentig:
De dichter Ter Balkt dicht een beetje zoals natuurgeweld overweldigt. Het walst over je heen, het is er duidelijk, het gaat er rumoerig en woest aan toe, maar wat de zin er precies van is, je weet het niet.
Je hebt je houvast verloren.
Ter Balkts gedichten zijn als de stormwind.
Niettemin, en misschien wel juist door dat alles, zijn er heel wat regels die opeens ‘een golf van ontroering’ teweegbrengen. Wiel Kusters:
Zijn poëzie wordt geprezen, soms misprezen om haar grilligheid. Zijn beelden, de rijkdom en virtuositeit daarvan, zijn melancholie en zijn wat dwarse humor, zijn dichterlijke bemoeienis met grote maatschappelijke thema's en problemen, zijn onrustige bewustzijn – dit alles maakt van Ter Balkt een bijzondere persoonlijkheid die ik niet graag zou missen in de Nederlandse poëzie.
Tussen 1993 en 2003 verschenen drie delen Laaglandse hymnen, ruim 200 bladzijden poëzie, die door bijna niemand meer werden misprezen. Hymnen zijn lofzangen, maar deze hymnen kregen de vorm van niet alledaagse sonnetten, zelden op rijm en evenmin met een keurige wending. In 2009 verscheen Ter Balkts laatste bundel, Onder de bladerkronen. In een recensie in Awater geeft Piet Meeuse een karakterisering van de inzet van een oeuvre:
Maar hoe desoriënterend en chaotisch zijn poëzie ook vaak lijkt - ze wordt gedragen door een sterke overtuiging die door alles heen klinkt. Hij wil laten zien dat poëzie meer is dan een spel met woorden. Dat ze een kracht is die al het tegenstrijdige en het uiteenstrevende bijeen kan houden. En moet houden, zeker in een tijd waarin elke samenhang verloren dreigt te gaan.
Eerder al, in 2002, was Ter Balkt de P.C. Hooftprijs toegekend. Aan Laaglandse hymnen wijdde Piet Gerbrandy in 2011 bijna 300 bladzijden van zijn proefschrift. In 2015 overleed Ter Balkt in Nijmegen, de stad waar hij al decennialang woonde.
2.
In de verzamelbundels die in de loop der jaren verschenen, schrapte Ter Balkt soms hele gedichten, andere werden drastisch herzien. Oud gereedschap mensheid moe werd eind 1975 door De Harmonie verspreid als relatiegeschenk; de handelsuitgave verscheen enkele maanden later. 23 gedichten telt de bundel; zeldzaam weinig voor deze dichter. Tot de uitgave van 1975-1976 zal ik me beperken.
Wat na bundels als die van Arends en Bakker in het titelgedicht meteen opvalt, is de weidsheid van de ruimte: het oud gereedschap is ver van huis, gaat over een lange, lange weg en er klinkt een boodschap van de sterren. Ook op formuleringen wordt niet beknibbeld. We lezen veel parallelle zinsconstructies en veel herhalingen van woorden en woordgroepen. De combinatie ‘oud gereedschap’ komt tien keer voor, ‘weg’ dertien keer, ‘lange’ veertien keer en dan is er ook nog één keer ‘lang’, één keer ‘langer’ en aan het slot twee keer 'langs’. Wat de dichter hier ook weeft, het is geen precieus tapijtje. In poëzie manifesteert zich “die Vollkraft der Sprache”, beweerde in 1959 de germanist Herbert Seidler in een boek met de alomvattende titel Die Dichtung; Wesen-Form-Dasein. Wat het wezen van de poëzie ook is, aan Vollkraft moet ik bij het lezen van Ter Balkt altijd denken.
Herhalingen: de retoriek van een onheilsprofeet en de retoriek van de blues gaan bij deze dichter moeiteloos in elkaar over. Zijn poëzie is bij uitstek orale poëzie - zou je denken. Ik heb Ter Balkt wel eens horen voordragen en dan is het moeilijk om tot een andere conclusie te komen. De voordracht is gepassioneerd en overtuigend. Op het podium staat een dichter die wat heeft te vertellen en dat met verve doet. In puur technisch opzicht lijkt het titelgedicht van Oud gereedschap mensheid moe een oud verband te herstellen: de versregels die we waarnemen als versregels, dankzij het wit en dus dankzij onze ogen, corresponderen met wat we zouden horen of zouden kunnen horen als we tijdens een voordracht de ogen sloten.
Maar meteen al het tweede gedicht, 'De eg', suggereert iets anders. Het bestaat uit zes zeer regelmatige strofen, strofen van drie regels. De een-na-laatste strofe is deze:
Hij schreef formules in de grond, halm
groeide dan hoog en groen tot je de grond
niet meer zag; eg. De grond was dan weg.
Door het binnenrijm in de laatste regel is de grond heel erg weg, maar het is moeilijker om betekenis toe te kennen aan de overgangen in de regels daarvóór - op zijn hoogst doen ze het effect van de laatste regel beter uitkomen. Het gedicht dat erop volgt, 'Het zoutvat', bestaat uit acht strofen van twee rijmende regels. Meteen daarna ‘De hooikeerder', drie strofen van vier regels. De middelste strofe:
Nu weggedragen op vleugels
van stormvogel roest wordt hij meer
en meer stof van de schuur. Antieke
vriendelijke machine; huisdier.
Drie gedichten na het zo traditioneel ogende openingsgedicht lezen we een strofe van vier regels waarvoor alleen visueel een rechtvaardiging lijkt te vinden. Wie puur is aangewezen op het gehoor, zou met moeite de grenzen van de versregels kunnen bepalen. En aan de andere kant: als Ter Balkt zich niet had voorgenomen een gedicht te schrijven in kwatrijnen, zou ‘Antieke/ vriendelijke machine; huisdier’ misschien wat minder elliptisch zijn geformuleerd.
Visuele vormen zijn een mal in deze bundel: de kracht die, naast wellicht een sterke overtuiging, al het tegenstrijdige en uiteenstrevende bijeenhoudt. Vaak gaat het om kwatrijnen, maar zeker niet altijd: er zijn gedichten met disticha en terzetten, gedichten met strofen van vijf regels en acht regels. Af en toe krijgt het visuele nadrukkelijk een betekenis, in dit fragment uit ‘Zwarte wagens’ bijvoorbeeld:
Zwarte wagens ondergesneeuwd in de sneeuw
schrijven in de lucht weerkundige oden:
‘Sneeuw de spiegel van kennis en bitterheid,
heldere val van mystiek en archeologie
van klamme zolders duister van hooibroei
winters het spinnewiel torsend.’ Aarde-
donkere velden opwandelend, aarde-
donkere velden toevallend, druppelt
de eeuwige regen van het onbestendige.
De aanhalingstekens van 'sneeuw' tot 'torsend' zouden auditief misschien nog wel te herkennen zijn, maar het enjambement binnen een woord over een versregel en zelfs een strofegrens heen, doet zich alleen voor aan een lezer. 'Aardedonker', dat makkelijk gebruikte adjectief, wordt heel erg van de aarde en heel erg donker. Een visueel effect voor de lezer in een gedicht dat handelt over licht en donker: over zwarte wagens en sneeuw. Tegelijkertijd ook in dit gedicht de roes van de herhaling: zeventien keer 'sneeuw' of een afgeleide daarvan; dertien keer 'wagens', acht keer 'zwarte'. Alleen bij Ter Balkt zijn regels als deze denkbaar:
Zwarte wagens, aardedonkere wagens,
sneeuwen boven de wagens, zwarte wagens
sneeuw onder de wielen, staan stil.
Op die zwarte wagens zijn alleen nog wat letters te zien en dat leidt tot de slotregels van het gedicht:
taal geen oostenwinter die jou besneeuwt,
zwarte wagens, lege wagens, aardedonkere wagens.
Taal en sneeuw, wagens en sneeuw. Taal voltrekt zich in de tijd, sneeuwval ook, en hetzelfde geldt voor wagens als ze niet stilstaan. Hier staan ze stil, zijn ze ondanks al die sneeuw zwart, leeg en aardedonker. Toch kan taal, zelfs in of bij een gure 'oostenwinter', vrij blijven van sneeuw. We kregen te lezen dat er nog letters te zien zijn: N, O en D. Aan de letters zelf moet misschien niet veel betekenis worden gehecht – nood? - , maar wel aan hun zichtbaarheid. Taal en leesbaarheid verdwijnen niet, ondanks al die effecten van het winterse.
Het is de spanning tussen het dynamische en het statische, tussen het auditieve en het visuele, tussen luisteren en lezen die aan Ter Balkts poëzie een eigen karakter geeft – of beter gezegd: die spanning is er in moderne poëzie bijna altijd, maar voor Ter Balkt is de mal van het visuele een noodzaak om te laten stromen wat er moet stromen. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de 200 pagina's sonnetten in Laaglandse hymnen. Hymnen: een plechtig en traditioneel liedgenre; sonnetten: het subtiele genre dat gericht is op lezers. In de dertig pagina's van Oud gereedschap mensheid moe zijn de vormen gevarieerder, maar het principe is hetzelfde. Voor Ter Balkt is poëzie een kracht die ‘al het tegenstrijdige en het uiteenstrevende bijeen kan houden’, schreef Piet Meeuse en hij koppelde dat aan een ‘sterke overtuiging’. Aan sterke overtuigingen ontbreekt het niet bij Ter Balkt, maar het gaat misschien toch vooral om een kracht buiten de dichter. Het gereedschap is het, de visuele mal, die de vereniging van al het tegenstrijdige en uiteenlopende mogelijk maakt. En daarmee voor Ter Balkt de poëzie.