woensdag 4 februari 2026

Huub Beurskens: Blindkap


Twintig dichtbundels uit 1975 (4)


Het eerste gedicht in de bij uitgeverij Opus 2 verschenen bundel:  

Hitchcock 

zoals het woord verspringt in zijn spiegel 
beeld in zijn montage / mom in zijn masker 

kijker ontzet zijn oog verspringt: 
eenzaam voyeur in dit beklemmend  
paleis van spiegels dat handig om- 
wegen doseert / 
                           kijker (geen ziener)
die zichzelf bloed in de schoenen schuift
gewillig maar radeloos zijn even- 

beeld klimt 
                     en het detail koortsig 
uit zijn doortimmerde voegen tilt 
 
maar lam in het stramien 
tot aan de afgrond : o  god een plot- 
selinge val ! en grondig  
ziet de kijker nu de mal van 
dit netwerk / 
                      knalt hij uit zijn blindkap: 
blijft met van zijn schim de scherven  
met een ietwat onprettig zittende stropdas 
bijvoorbeeld 


Blindkap was de debuutbundel van een 25-jarige dichter; Opus 2 een kleine Zeeuwse uitgeverij. Dertig eigen gedichten telt de bundel, met daarna nog vier vertaalde gedichten van Georg Trakl. Trakl wordt ook genoemd op de laatste pagina van de bundel met ‘een hint en een tip voor plagiaatjagers'. Negen hints en tips worden er gegeven, met de eigennamen allemaal in onderkast: armando, gebr. grimm, job, ezra pound, rainer maria rilke,  willy roggeman, georg trakl, ludwig wittgenstein, wat chinoiserieën. Een jonge dichter positioneert zich: we lezen de namen van internationale grootheden en van één levende Nederlander, Armando, en één levende Vlaming, Roggeman. Beiden zijn het dichters, beiden zijn ze van een iets oudere generatie.  

Een dun debuutbundeltje bij een onbekende uitgeverij. Bij zeer gerespecteerde uitgeverijen zouden nog dertig dichtbundels volgen, inclusief verzamelbundels, bijna dertig romans en verhalenbundels, verder essays en vertalingen. In 1995 werd Aangod en de afmens bekroond met de VSB-poëzieprijs, een jaar na De sporen van Hugo Claus en een jaar voor Psalmen en andere gedichten van Leo Vroman. De roman Eindeloos eiland verscheen in 2017 op de shortlist van de ECI-literatuurprijs. Tot de dichters van wie Beurskens bundels of bloemlezingen vertaalde, behoren Benn, Rilke, Handke, W.C. Williams, Auden, Nabokov. Buitenwegen; excursies met gedichten en vergezichten uit 1992 is een mooi voorbeeld van wat je met persoonlijke essayistiek kunt bereiken.  

Een kenmerkend gedicht uit Aangod en de afmens is dit: 

Gevlamde tulpen in een glas met draakmotief 

De draak is der afgesneden tulpen hulp. In China vereerd  
als brenger van lenteregens. Rondom in het glas gegraveerd
waardoor hij in het frisse water doorschijnend schijnbaar 
aan de stelen der bloemen die hij leven geeft verslingerd leeft. 
Van wat anders dan van zijn vuur komt dat openwaaieren  
en gloeien in een luttel uur? Bitterheid noch wraak kleeft 
kennelijk aan deze ontbloeiing. Ontworteling blijkbaar 
is ontworsteling? In onze harten vlamt iets op. Alhoewel... 
De blaadjes vielen snel. Drakerig blijft ons hersenstel.  


Volzinnen, rijm, binnenrijm, alle andere varianten van rijm: als het om traditionele klankpatronen gaat, herinnert het gedicht in niets aan de bundel van twee decennia eerder. Wat gebleven is, is de bewuste kunstmatigheid: de toon en de zinsbouw zijn zeker niet die van de omgangstaal. De visuele presentatie lijkt, ondanks al het auditieve, nog steeds belangrijk; voor de enjambementen is niet altijd een semantische rechtvaardiging te vinden. Opmerkelijk zijn de titels van de bundels. 'Blindkap', 'aangod' en 'afmens': alledrie lijken het nieuwvormingen. Wat ook gebleven is, zijn de culturele referenties. Blindkap, en daarmee een oeuvre, opent met Hitchcock; daarna komen in de eerste afdeling verwijzingen naar aardewerk uit de T’angdynastie, de Venus van Willensdorf, de filmer Ben Verbong en Habakuk II de Balker. Verderop wordt een motto ontleend aan Rilke. In Aangod en de afmens is een regel van Rilke opgenomen in een gedicht, onvertaald, en vallen de namen van Cuyp, Monet, Gris, Ovidius en Pasolini. De toelichting achter in de bundel deelt mee dat een schilderij van Manet de inspiratiebron vormde voor het gedicht over de gevlamde tulpen. Opvallend: beide bundels kennen een gedicht met als titel ‘Chinoiserie’.   

Eind 1997 verscheen de eerste verzamelbundel, Bange natuur en alle andere gedichten tot 1998. In zijn recensie in DWB besteedt Dirk de Geest aandacht aan het bundeltje waarmee het allemaal begon:  

Wie ook maar iet of wat vertrouwd is met de postexperimentele tendensen van de vroege jaren zeventig, herkent twijfelloos de stereotiepe schrijfwijze van de toenmalige dichterlijke goden, met fiere namen als Jacques Hamelink of H.C. ten Berge: het ostentatief achterwege laten van hoofdletters, de eigenzinnige interpunctie (schuine strepen, een kommapunt vooraan de regel), de voorkeur voor afgemeten, woordkarige regels en trechtervormige strofen.   

Hij gaat ook in op het openingsgedicht:  

In dit programmatische vers kruisen tal van verspringende perspectieven elkaar: de film, de montage, het woord, de spiegel, en niet te vergeten, de lezer zelf. De naïviteit van de visuele waarneming wordt daardoor, tot in de typografie van het vers zelf, grondig verstoord.   

Beurskens zelf gaat in 2002 in op een uitnodiging van de redactie van Bunker Hill en schrijft een brief aan de ‘beste jonge dichter die ik was’. Hij noemt namen die in Blindkap worden genoemd en verder vooral ook Pound en Ten Berge. Al die dichters hielpen hem van het een en ander af:  

Het zou in dichterlijk opzicht misschien niets met je zijn geworden als je niet het geluk had gehad dat precies in die tijd de zogenaamde Barbarberdichters in Nederland aan de weg timmerden. Binnen een jaar schakelde je rigoureus over van het produceren van puberale woordworsten naar bijvoorbeeld het sec presenteren van het weerbericht als een gedicht of het maken van iets als dit, half poëticaal bedoeld tekstje met de titel ‘Merkwaardigheid’: ‘harvey cox wandelend met god/in het vondelpark’. 

Een noodzakelijk tegenwicht was gevonden. En je had ontdekt dat ‘de’ poëzie bestond en dat ze bewegingen uitvoerde buiten je privé-wereld. Algauw tuimelden in je hoofd, in je uitzicht en op je bureautje de meest uiteenlopende soorten poëzie en poëzieopvattingen over elkaar. 

Harvey Cox was een progressieve theoloog die in die jaren opgang maakte. Ik herinner me titels uit de boekenkast van mijn vader. Alles tuimelt in jonge hoofden.  

In zekere zin is het bij Beurskens blijven tuimelen. Bundel na bundel leken de techniek en de aanpak te verschillen. Het zou me niet verbazen als het onvermogen om deze dichter op poëticale uitgangspunten en een stijl vast te pinnen, ertoe heeft bijgedragen dat hij niet de reputatie heeft verkregen van dichters als Kouwenaar en Ter Balkt. Wel een grote prijs voor een bundel, geen P.C. Hooftprijs voor een oeuvre. Versatiliteit bindt een dichter niet aan een lezerspubliek. 

De dertig gedichten van Blindkap zijn verdeeld in vijf afdelingen: '8 gedichten', 'portretstudies', 'landschapstudies', 'oates' en 'robinson'. Lawrence Oates was een poolreiziger die zo verzwakt was dat hij zich afzonderde van zijn metgezellen om hun leven te redden; ‘het heeft niet mogen baten', schrijft Beurskens in een toelichting. Poolsneeuw was enkele jaren eerder, in 1964, de debuutbundel geweest van Ten Berge en ook in later werk bleek hij gefascineerd door het arctische. In '8 gedichten' verhoudt de dichter van Blindkap zich tot de poëtische traditie, in 'portretstudies' tot de aanvechtingen van de erotiek, in 'landschapstudies' tot de grens van land en zee. De dood is prominent aanwezig in 'oates'. In 'robinson' is de 'ik' aangespoeld in een veelkleurige wereld: 
 
havik, mijn kruin zijn horst 
nu ik mij strek met opgeheven hoofd 
hier lig; groei groen in de botten 
scheutig in de rug 

blauw ritselen ratten in de knie 
termieten joelend tot de navel 

schudt even van een plotse lach 
dan zwaar ademt het middenrif 
tegen het hijgen van de branding in. 

lucht van munt en muskus 

zacht klinkt de zon in rozenwolken boven 
de heuvel, groot het zwijgen der dennen 
de ernstige schaduwen bij de kreek 
 
Het is, afgezien van de Trakl-vertalingen, het voorlaatste gedicht in de bundel. In het slotgedicht wordt de paradijselijke sfeer voortgezet tot de laatste twee strofen: 

plots ijzig een gele kreet 
de meeuw zijn strot ontschiet; 
echoot een stalen ratelen 
woedend over zee: 

duister gaat een boeg voor anker 

Al te veel harmonie kan de werkelijkheid niet verdragen. En ze zou, in de halve eeuw die op Blindkap volgde, geen oeuvre hebben opgeleverd.


Huub Beurskens, Blindkap, Kortgene (Z) 1975.
-, Aangod en de afmens, Amsterdam 1994.
-, 'Huub Beurskens', in Bunker Hill 6, nr. 19 (2002), p. 6-11, citaten p. 6-7.
Dirk de Geest, 'Zwetend wierp ik alles van me af en trok de voorhang open; de passies van Huub Beurskens', in: DWB 143 (1998), p. 377-388, citaten p. 378 en 381.

vrijdag 30 januari 2026

Habakuk II de Balker: Oud gereedschap mensheid moe


Twintig dichtbundels uit 1975 (3)


Het eerste gedicht in de bij De Harmonie verschenen bundel is het titelgedicht: 

Oud Gereedschap Mensheid Moe 

 

Oud gereedschap ver van huis 

bedenkt geen rondeel om te klagen. 

Oud gereedschap huilt niet in het donker 

 

lange weg, lange lange weg 

en zingt geen blues want heeft geen stem. 

 

Vlashekel, wan, geen achterban 

van dichtkunst, geen plantage, borst 

van essehout om aan te rusten. 

Oud gereedschap mensheid moe, eeuwen 

van huis, zoekt geen plankier 

van zangen, van stof, van twist. 

 

Lange weg, lange lange weg 

oud gereedschap zingt niet de blues. 

Regen geen rum slijpt zijn lemmet en steel, 

zijn afgeknapte spaak die hakkelt.  

 

In de vier strofen die volgen, verandert het perspectief: de blik wordt gericht op ‘de sterren’. Daarna:  

 

De sterren zeggen, de hand is op komst 

van wie oud gereedschap opneemt en gebruikt 

doodgewone ploegschaar, vlashekel, wan: 

ze vertellen dat hij komt. 

 

Oud gereedschap mensheid moe 

ver van huis, oud gereedschap dat je heersers 

overleefde, oud gereedschap ver van huis, 

 

het is tijd voor andere meesters 

het is tijd voor de eenvoudige beweging 

 

VAN DE BIJLSLAG RECHT IN HET GEZICHT 

van die alles in vuur hebben gezet 

langs de weg. Langs de lange lange weg. 

 

 

Niet alleen een lange weg, maar ook een lang gedichtdat bijna twee pagina's vult in de nog geen veertig pagina's tellende bundel. Er zijn er meer: 'Van de hoeve', 'De dorsmachine', 'Zwarte wagens', 'Het worstmolentje', 'Het stro'. Heel kort zijn 'De houtkist' met vier en 'De cirkelzaag' met vijf regels‘Oud Gereedschap Mensheid Moe’ is het enige gedicht met hoofdletters in de titel, het enige ook met een regel in kapitalen. Het gereedschap dat een bijl is, moet blijkbaar iets te weeg brengen. In het eerste gedeelte verwijzingen naar poëzie en muziek: rondeel, blues, dichtkunst, zangen, nog een keer blues. Ze ontbreken in het laatste gedeelte, met de heilsverwachting: 'de hand is op komst'. Het oud gereedschap zal weer gebruikt gaan worden, te beginnen met de bijl. Degenen die alles hebben vernietigd, ‘alles in vuur hebben gezet’, zullen hard worden geraakt. 

 

Na nog één bundel, Helgeel landjuweel uit 1977, stapte Ter Balkt af van het pseudoniem waarin een oudtestamentische onheilsprofeet en het geluid van een ezel samengingenDe dichter die zich in meer dan één opzicht aan de periferie leek op te houden, vond steeds meer erkenning – met gedichten over het platteland en over Twente, met een stortvloed aan poëzie die niets intellectualistisch had en niets beheersts. De erkenning kwam vooral ook van dichters. Komrij, niet echt een verwante ziel, in de jaren negentig: 

 

De dichter Ter Balkt dicht een beetje zoals natuurgeweld overweldigt. Het walst over je heen, het is er duidelijk, het gaat er rumoerig en woest aan toe, maar wat de zin er precies van is, je weet het niet. 

Je hebt je houvast verloren. 

Ter Balkts gedichten zijn als de stormwind.

 

Niettemin, en misschien wel juist door dat alles, zijn er heel wat regels die opeens ‘een golf van ontroering’ teweegbrengen. Wiel Kusters: 

 

Zijn poëzie wordt geprezen, soms misprezen om haar grilligheid. Zijn beelden, de rijkdom en virtuositeit daarvan, zijn melancholie en zijn wat dwarse humor, zijn dichterlijke bemoeienis met grote maatschappelijke thema's en problemen, zijn onrustige bewustzijn – dit alles maakt van Ter Balkt een bijzondere persoonlijkheid die ik niet graag zou missen in de Nederlandse poëzie.  

 

Tussen 1993 en 2003 verschenen drie delen Laaglandse hymnenruim 200 bladzijden poëzie, die door bijna niemand meer werden misprezenHymnen zijn lofzangen, maar deze hymnen kregen de vorm van niet alledaagse sonnetten, zelden op rijm en evenmin met een keurige wending. In 2009 verscheen Ter Balkts laatste bundel, Onder de bladerkronenIn een recensie in Awater geeft Piet Meeuse een karakterisering van de inzet van een oeuvre:  

 

Maar hoe desoriënterend en chaotisch zijn poëzie ook vaak lijkt - ze wordt gedragen door een sterke overtuiging die door alles heen klinkt. Hij wil laten zien dat poëzie meer is dan een spel met woorden. Dat ze een kracht is die al het tegenstrijdige en het uiteenstrevende bijeen kan houden. En moet houden, zeker in een tijd waarin elke samenhang verloren dreigt te gaan.  

 

Eerder al, in 2002, was Ter Balkt de P.C. Hooftprijs toegekend. Aan Laaglandse hymnen wijdde Piet Gerbrandy in 2011 bijna 300 bladzijden van zijn proefschrift. In 2015 overleed Ter Balkt in Nijmegen, de stad waar hij al decennialang woonde.   

 


2. 

 

 

In de verzamelbundels die in de loop der jaren verschenen, schrapte Ter Balkt soms hele gedichten, andere werden drastisch herzien. Oud gereedschap mensheid moe werd eind 1975 door De Harmonie verspreid als relatiegeschenk; de handelsuitgave verscheen enkele maanden later. 23 gedichten telt de bundel; zeldzaam weinig voor deze dichter. Tot de uitgave van 1975-1976 zal ik me beperken. 

 

Wat na bundels als die van Arends en Bakker in het titelgedicht meteen opvalt, is de weidsheid van de ruimte: het oud gereedschap is ver van huis, gaat over een lange, lange weg en er klinkt een boodschap van de sterren. Ook op formuleringen wordt niet beknibbeld. We lezen veel parallelle zinsconstructies en veel herhalingen van woorden en woordgroepen. De combinatie ‘oud gereedschap’ komt tien keer voor, ‘weg’ dertien keer, ‘lange’ veertien keer en dan is er ook nog één keer ‘lang’, één keer ‘langer’ en aan het slot twee keer 'langs’. Wat de dichter hier ook weeft, het is geen precieus tapijtje. In poëzie manifesteert zich “die Vollkraft der Sprache, beweerde in 1959 de germanist Herbert Seidler in een boek met de alomvattende titel Die Dichtung; Wesen-Form-DaseinWat het wezen van de poëzie ook is, aan Vollkraft moet ik bij het lezen van Ter Balkt altijd denken.  

 

Herhalingen: de retoriek van een onheilsprofeet en de retoriek van de blues gaan bij deze dichter moeiteloos in elkaar over. Zijn poëzie is bij uitstek orale poëzie - zou je denkenIk heb Ter Balkt wel eens horen voordragen en dan is het moeilijk om tot een andere conclusie te komen. De voordracht is gepassioneerd en overtuigend. Op het podium staat een dichter die wat heeft te vertellen en dat met verve doet. In puur technisch opzicht lijkt het titelgedicht van Oud gereedschap mensheid moe een oud verband te herstellen: de versregels die we waarnemen als versregels, dankzij het wit en dus dankzij onze ogen, corresponderen met wat we zouden horen of zouden kunnen horen als we tijdens een voordracht de ogen sloten. 

 

Maar meteen al het tweede gedicht, 'De eg', suggereert iets anders. Het bestaat uit zes zeer regelmatige strofen, strofen van drie regels. De een-na-laatste strofe is deze: 

 

Hij schreef formules in de grond, halm 

groeide dan hoog en groen tot je de grond 

niet meer zag; eg. De grond was dan weg. 

 

Door het binnenrijm in de laatste regel is de grond heel erg weg, maar het is moeilijker om betekenis toe te kennen aan de overgangen in de regels daarvóór  op zijn hoogst doen ze het effect van de laatste regel beter uitkomen. Het gedicht dat erop volgt, 'Het zoutvat', bestaat uit acht strofen van twee rijmende regels. Meteen daarna ‘De hooikeerder', drie strofen van vier regels. De middelste strofe: 

 

Nu weggedragen op vleugels  

van stormvogel roest wordt hij meer 

en meer stof van de schuur. Antieke 

vriendelijke machine; huisdier. 

 

Drie gedichten na het zo traditioneel ogende openingsgedicht lezen we een strofe van vier regels waarvoor alleen visueel een rechtvaardiging lijkt te vinden. Wie puur is aangewezen op het gehoor, zou met moeite de grenzen van de versregels kunnen bepalen. En aan de andere kant: als Ter Balkt zich niet had voorgenomen een gedicht te schrijven in kwatrijnen, zou ‘Antieke/ vriendelijke machine; huisdier’ misschien wat minder elliptisch zijn geformuleerd.  

 

Visuele vormen zijn een mal in deze bundel: de kracht die, naast wellicht een sterke overtuiging, al het tegenstrijdige en uiteenstrevende bijeenhoudt. Vaak gaat het om kwatrijnen, maar zeker niet altijd: er zijn gedichten met disticha en terzetten, gedichten met strofen van vijf regels en acht regels. Af en toe krijgt het visuele nadrukkelijk een betekenis, in dit fragment uit ‘Zwarte wagens’ bijvoorbeeld: 

 

Zwarte wagens ondergesneeuwd in de sneeuw 

schrijven in de lucht weerkundige oden: 

‘Sneeuw de spiegel van kennis en bitterheid, 

heldere val van mystiek en archeologie 

van klamme zolders duister van hooibroei 

winters het spinnewiel torsend.’ Aarde- 

 

donkere velden opwandelend, aarde- 

donkere velden toevallend, druppelt 

de eeuwige regen van het onbestendige. 

 

De aanhalingstekens van 'sneeuw' tot 'torsend' zouden auditief misschien nog wel te herkennen zijn, maar het enjambement binnen een woord over een versregel en zelfs een strofegrens heen, doet zich alleen voor aan een lezer. 'Aardedonker', dat makkelijk gebruikte adjectief, wordt heel erg van de aarde en heel erg donker. Een visueel effect voor de lezer in een gedicht dat handelt over licht en donker: over zwarte wagens en sneeuwTegelijkertijd ook in dit gedicht de roes van de herhaling: zeventien keer 'sneeuw' of een afgeleide daarvan; dertien keer 'wagens', acht keer 'zwarte'. Alleen bij Ter Balkt zijn regels als deze denkbaar: 

 

Zwarte wagens, aardedonkere wagens, 

sneeuwen boven de wagens, zwarte wagens 

sneeuw onder de wielen, staan stil. 

 

Op die zwarte wagens zijn alleen nog wat letters te zien en dat leidt tot de slotregels van het gedicht: 

 

taal geen oostenwinter die jou besneeuwt, 

zwarte wagens, lege wagens, aardedonkere wagens.   

 

Taal en sneeuw, wagens en sneeuw. Taal voltrekt zich in de tijd, sneeuwval ook, en hetzelfde geldt voor wagens als ze niet stilstaan. Hier staan ze stil, zijn ze ondanks al die sneeuw zwart, leeg en aardedonker. Toch kan taal, zelfs in of bij een gure 'oostenwinter', vrij blijven van sneeuw. We kregen te lezen dat er nog letters te zien zijn: N, O en D. Aan de letters zelf moet misschien niet veel betekenis worden gehecht – nood? - , maar wel aan hun zichtbaarheid. Taal en leesbaarheid verdwijnen niet, ondanks al die effecten van het winterse.  

 

Het is de spanning tussen het dynamische en het statische, tussen het auditieve en het visuele, tussen luisteren en lezen die aan Ter Balkts poëzie een eigen karakter geeft – of beter gezegd: die spanning is er in moderne poëzie bijna altijd, maar voor Ter Balkt is de mal van het visuele een noodzaak om te laten stromen wat er moet stromen. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de 200 pagina's sonnetten in Laaglandse hymnenHymnen: een plechtig en traditioneel liedgenre; sonnetten: het subtiele genre dat gericht is op lezers. In de dertig pagina's van Oud gereedschap mensheid moe zijn de vormen gevarieerder, maar het principe is hetzelfde. Voor Ter Balkt is poëzie een kracht die al het tegenstrijdige en het uiteenstrevende bijeen kan houden’, schreef Piet Meeuse en hij koppelde dat aan een sterke overtuiging’. Aan sterke overtuigingen ontbreekt het niet bij Ter Balkt, maar het gaat misschien toch vooral om een kracht buiten de dichterHet gereedschap is het, de visuele mal, die de vereniging van al het tegenstrijdige en uiteenlopende mogelijk maakt. En daarmee voor Ter Balkt de poëzie     



Habakuk II de Balker, Oud gereedschap mensheid moe, 2e dr., Amsterdam 1976.
H.H. ter Balkt, Laaglandse hymnen I - III, Amsterdam 2003. 
Piet Gerbrandy, De gong en de rookberg; intrigerende materie van H.H. ter Balkt en Jacques Hamelink, Groningen 2011.
Gerrit Komrij, Trou moet blycken (...), Amsterdam 2001, p. 212.
Wiel Kusters, Ik graaf, jij graaft; aantekeningen over poëzie, Amsterdam 1995, p. 129.
Piet Meeuse, 'Ter Balkt als ruimtevaarder; met Onder de bladerkronen toont de dichter zijn vitaliteit', in: Awater 9 (2010), p. 11. 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huub Beurskens: Blindkap

Twintig dichtbundels uit 1975 (4) Het eerste gedicht in de bij uitgeverij Opus 2 verschenen bundel:    Hitchcock  zoals het woord verspringt...