donderdag 22 januari 2026

Gerrit Bakker: Ommekeer


Twintig dichtbundels uit 1975 (2)


Het eerste gedicht in de bij Querido verschenen bundel:

De braam

Mijn aandacht verdelend tussen de vrucht
die ik pluk
en de volgende vrucht
waarheen mijn hand zich zal bewegen,
bedenk ik,
dat al deze beweringen en schrammen,
hoewel zij weinig over de vruchten zelf vertellen,
toch onthullen dat het bramen zijn die ik pluk.

In het boekje is het zeker niet de eerste tekst. Na de inhoudsopgave zien we een titelloze prozatekst van nog geen halve bladzij, een witte bladzij, een bladzij met een afdelingstitel, ‘Vruchten van de kennis’, een bladzij met een motto van een Franse dichter. Na weer een witte bladzij lijkt het echt te beginnen. Proza en poëzie wisselen elkaar af in achtereenvolgens ‘De kastanje’, ‘De braam', ‘De aardappel’, ‘De denneappel’, ‘De aardbei’ en ‘Het ei'. Het korte titelloze gedicht dat daarop volgt moet als een aparte eenheid gelezen worden; de inhoudsopgave en een witte bladzij maken dat duidelijk. Daarna weer een afdelingstitel, ‘Drie jaargetijden’, en weer zes teksten met nu twee keer proza en vier keer poëzie, zonder titels ditmaal. Weer een witte bladzij en dan een titelloos slotgedicht met vier strofen van drie regels.

Nog geen veertig bladzijden die voor minder dan de helft met tekst zijn gevuld. Ook het proza wordt door wit omringd: het begint halverwege de bladzij en loopt op de volgende bladzij nergens door tot het eind. De achterkaft spreekt van ‘een bundel die wederom de uitgezochte vermenging van poëzie en poëtisch proza te zien geeft welke eerder al tot zo'n zeldzaam hoge waardering aanleiding gaf.’ Die eerdere waardering gold De menselijke natuur, een bundel die was verschenen in 1966. Geciteerd wordt een uitvoerige passage uit een kritiek van Adriaan Morriën, een autoriteit in die dagen. Ook Ommekeer wordt gewaardeerd. In 1976 wordt Bakker uitgenodigd voor Poetry International. Drie jaar later neemt Komrij twee gedichten op in de eerste druk van zijn befaamde bloemlezing - twee van de in totaal negen gedichten in de bundel. Ommekeer moet verhoudingsgewijs een van de meest royaal gebloemleesde bundels zijn geweest.

En dan wordt het stil. Een nieuwe bundel verschijnt niet meer. In de jaren daarna is in literatuurgeschiedenissen en naslagwerken nauwelijks iets over Bakker te vinden. Het Lexicon Nederlandse auteurs geeft in 1984 enige summiere informatie: ‘(geb. 1939) Ned. dichter, studeerde Frans, is leraar. Zijn poëzie heeft als thema: het onvermogen van de dichter om natuurlijke objecten in taal te verwoorden. Vaak vindt er omslag van poëzie in proza plaats.’ Twee jaar later het Lexicon van de Nederlandse letterkunde van de Winkler Prins: ‘Het zoeken naar de juiste vorm en een steeds terugkerende aandacht voor natuurelementen zijn belangrijke kenmerken van zijn werk. De serene sfeer die hij oproept neigt soms naar het mystieke’. Het doet een kritische receptie vermoeden die zich in kranten en weekbladen heeft afgespeeld; een kort lemma in de DBNL meldt geen enkele secundaire literatuur. Wel een sterfjaar: Bakker overleed in 2011.

De dichter die het motto levert, is Francis Ponge: ‘On ne peut sortir de l’arbre par les moyens d’arbre’. De bron wordt niet gegeven, maar het is afkomstig uit Ponges bundel Le parti pris des choses uit 1942 die pas in 1990 vertaald werd als Namens de dingen. Geïsoleerd en gecursiveerd staat daar op p. 56: ‘Men ontkomt niet aan de boom met de middelen van de boom.’ In zijn uitvoerige nawoord gaat vertaler Piet Meeuse in op de regel: ‘De bomen, die zich proberen uit te drukken in het produceren van een overweldigende hoeveelheid bladeren, slagen er nooit in iets anders te zeggen dan “bomen"'. Net zo beperkt is de manier waarop de mens doorgaans de taal gebruikt: ook zijn taal draait altijd maar rond in ‘haar eigen exclusief-antropocentrische cirkeltje’. Hoe wil een dichter als Ponge daaraan ontkomen? Door de eigenschappen van de dingen terug te laten komen in eigenschappen van de taal - niet door middel van beschrijvingen, maar in de manier van uitdrukking. Meeuse geeft een eenvoudig voorbeeld: de merkwaardige bewegingen van een garnaal komen bij Ponge terug in syntactische structuren die de bewegingen nabootsen of oproepen. Per object probeert Ponge een ‘nieuwe retoriek’ te ontwikkelen. Het is de enige manier om aan het menselijke ontsnappen en ‘het andere’ te bereiken, de wereld van de dingen: ‘dan is ook pas de voorwaarde vervuld voor een expressie die verder reikt dan die van de boom, die alleen maar ‘boom’ kan zeggen.’

Ponges poëzie, in Namens de dingen alleen prozagedichten, en zijn poëtica vonden snel weerklank, vooral ook onder filosofen. Sartre schreef al in 1944 een uitvoerig artikel, later kwamen Camus, de structuralisten en de deconstructivist Derrida die in 1975 zijn studie Signeponge publiceerde. Zoveel jaren later valt vooral de ambitie op, het bereiken van ‘het andere', en de rol die taal daarbij kan spelen. Alle aandacht voor de dingen heeft een doel dat de alledaagse ervaringswereld, het menselijke, te boven gaat. Ponge sluit niet alleen aan bij een Franse intellectuele traditie, maar ook bij een traditie in de poëzie: zijn ambitie ligt in het verlengde van het verfijnde symbolisme van een dichter als Mallarmé. En dan is er een dichter met een buitengewoon Hollandse voornaam en een buitengewoon Hollandse achternaam. Wilde ook hij aan het menselijke ontkomen? Lukte hem dat? Is zijn lange periode van zwijgen misschien te verklaren door een falen?

In ‘De braam’ is niet op een intellectueel Franse, maar op een heel Hollandse manier van het andere sprake: de schrammen op een arm getuigen van de aanwezigheid van een alledaagse vrucht. Gecompliceerder en weidser wordt de aanwezigheid in een gedicht dat ook Komrij opneemt:

De denneappel

Van alle eigenschappen die de vruchten
tot vruchten maken,
heeft de denneappel er niet één.

Meer lijkt hij op een houten bloem
want wanneer je één voor één
hem van zijn schubben hebt ontdaan,
houd je bijna nog minder over dan niets.

Ook hoog in de boom, in zijn volle glorie
blijft hij een probleem;
pas na de allergrootste aandacht
tekent hij zich tegen zijn achtergronden af:

het suizen van de wind in de naalden
dat doet denken aan het ruisen van de zee.

Drie vergelijkingen in het gedicht: de dennenappel wordt vergeleken met een vrucht en een bloem en het geluid van de wind met het geluid van de zee. Het maakt het gedicht in zekere zin tot het meest ambitieuze in de bundel, al blijven het vergelijkingen binnen aangrenzende gebieden: van een echte metafoor is geen sprake. Wanneer Bakker wel in de richting gaat van een metafoor, zegt hij dat erbij:

Het ei

Het ei is zo gaaf
dat ik alleen al door zijn naam te noemen
de indruk heb teveel te zeggen.

Zo stil is het
dat beter dan door deze woorden
je je er eentje
op een lege bladzij voor zou kunnen stellen.

Maar daar het daarvoor ongetwijfeld al te laat is
of nog te vroeg,
volgt hier nog een laatste beeld:

zie deze kriebels
zoals een roofvogel ze zou zien uit de lucht,
als de camouflage die het ei aan het oog onttrekt.

Gaaf is het ei, te gaaf voor een verwoording, zo wit als de lege bladzij waartegen het ei weg zou vallen. Gesproken taal en geschreven taal: beide doen ze de gaafheid geen recht. Taal is van een andere orde, op zijn hoogst een vorm van camouflage. Het laat meteen het grote verschil zien met Ponge, de dichter die een oeuvre bij elkaar schreef en eindeloos procedés uitprobeerde om het niet-menselijke weer te geven. Bakker kwam tot de overtuiging dat er niets anders mogelijk is dan camouflage en deed er na twee bundels en één publiek optreden het zwijgen toe.

Een bundel die uit meer wit dan tekst bestaat, de onaanraakbaarheid van de werkelijkheid, zuiverheid. Waarheen en wanneer Bakker ook omkeerde: in de wereld van de lezers kwam hij niet terug.


Gerrit Bakker, Ommekeer, Amsterdam 1975.
Francis Ponge, Namens de dingen, vert. en nawoord Piet Meeuse, Amsterdam 1990. 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Gerrit Bakker: Ommekeer

Twintig dichtbundels uit 1975 (2) Het eerste gedicht in de bij Querido verschenen bundel: De braam Mijn aandacht verdelend tussen de vrucht ...