Twintig dichtbundels uit 1975 (1)
Het eerste gedicht in de door Remco Campert samengestelde bundel:
Ik zie het weer.
Ik zie de bloemen
in de goot weer bloeien.
Ik zie mezelf
weer te schande gemaakt
door de drank.
Ik zie de deur
weer opengaan
ik hoor de sleutel omdraaien
en ik weet
en ik weet
en ik weet het al zo lang
maar ik was het weer vergeten.
En ik houd van bloemen
en van de zusters
en van het gesticht.
De 42 woorden die overblijven en dus één of meer keren herhaald worden, zijn vooral functiewoorden: het persoonlijk voornaamwoord ‘ik’, het voegwoord ‘en', het voorzetsel ‘van’. Uitzonderingen zijn natuurlijk de werkwoorden ‘zien’ en ‘weten’. Opvallend is de ontbrekende interpunctie in de tweede strofe. Wat daar beschreven wordt, moet blijkbaar worden gezien als één gebeurtenis of één proces. Interpunctie wordt visueel waargenomen, maar het belang van het visuele gaat veel verder: een gedicht dat wordt gelezen wordt pas echt een gedicht door het wit. Het is het wit dat versregels tot stand doet komen – niet te missen voor het oog. Wanneer deze tekst als een vijftal prozaregels zou zijn gepresenteerd, lazen we een aandoenlijk gemompel. Nu worden alle herhalingen en parallellismen vrijwel meteen waargenomen en dragen ze de intensiteit van een ervaring over. Na een alcoholische uitspatting en de isoleercel is het leven weer mooi – iets wat de ‘ik’ even was vergeten.
Het is een interpretatie die goed mogelijk is, maar niet per se dwingend: het ‘het’ dat wordt gezien, geweten en was vergeten, kan een invulling krijgen door wat voorafgaat en wat volgt, maar blijft onbepaald. We worden geconfronteerd met fenomenen met een duidelijke woordenboekbetekenis als bloemen, drank, zusters en een gesticht, maar er blijft heel wat te raden over. Dat komt vaker voor in deze gedichten. Een paar bladzijden verder:
Wat
ben ik?
Ik ben
romantiek.
Voor mij
poetsen de mensen
het koper.
Waarom
is dat zo?
Omdat ik
een oude jas ben.
Ik ben
een oude jas
met een kraakhoofd
erbuiten.
Ik rochel
omdat het zo hoort.
Bij mij
hoort een koperen pot.
Een rochelpot.
Ik ben
een rochelwoord.
Voor mij
poetsen de mensen
het koper.
Het koper poetsen, een oude jas aantrekken, rochelen: het zijn herkenbare gebeurtenissen uit het dagelijks leven. Tegelijkertijd gaat het hier veel meer dan in het vorige gedicht om beelden. Zelfs het rochelen krijgt door de rochelpot en het rochelwoord iets metaforisch. Maar wie of wat is de ‘ik’? ‘Romantiek’, lezen we, iemand voor wie de goegemeente blijkbaar graag het koper poetst. Het koper van een ouderwetse kwispedoor waarin een rochelaar zijn fluimen deponeert? Is de man die twee keer gedichten eerder in het gesticht verbleef een vertederende, pittoreske gek?
Niets pittoresks meer even later in dit gedicht:
Een
kleine barst
wordt
een scheur.
Een
scheur
wordt
een kloof.
En zo
staat de mens
alleen.
Tegelijkertijd ook hier weer de nodige onbepaaldheid. De barst, de scheur en de kloof doen zich voor tussen ‘de mens’ en andere mensen, maar hoe groeit een kleine barst uit tot een kloof? En waarom? Vragen ook in dit gedicht, waarin iemand tegelijkertijd een gevierd schrijver is en een dief, een dief die zelf weer beledigd en bestolen wordt:
Je wilt
een dak
boven je hoofd.
Een
gevierd schrijver
ben je al.
Je wordt
belogen
en bestolen.
Je wordt
beledigd
waar je loopt.
Iedereen
weet
wie je bent.
Je
bent een dief.
Je schrijft
gedichten.
Je wilt
een dak
boven je hoofd.
Waarom er gebeurt wat er gebeurt en welke eigenschappen deze ‘je’ precies bezit, krijgen we niet te lezen. Een gevierd schrijver wordt beledigd, belogen en bestolen en door ‘iedereen’ voor een dief uitgemaakt. Zijn succes wordt hem niet gegund. De laatste twee strofen zouden met elkaar in verband kunnen staan: ondanks alles draagt het schrijven van gedichten de belofte in zich van een dak boven het hoofd. Voorlopig is daar niet veel van terechtgekomen. Onderdak is iets wat nog steeds wordt gewild.
2.
In januari 1974 sprong Arends uit het raam van zijn Amsterdamse flat; hij woonde op de vijfde verdieping. Die dag had hij bij de binder een aantal exemplaren van zijn bundel Lunchpauzegedichten opgehaald; bij een boekhandel zou de bundel de volgende dag worden gepresenteerd. In 1972 was de verhalenbundel Keefman verschenen. Vooral het titelverhaal, een lange monoloog tegen een psychiater, maakte indruk. Luciditeit en gestoordheid waren onontwarbaar met elkaar verbonden:
kleine barst
wordt
een scheur.
Een
scheur
wordt
een kloof.
En zo
staat de mens
alleen.
Tegelijkertijd ook hier weer de nodige onbepaaldheid. De barst, de scheur en de kloof doen zich voor tussen ‘de mens’ en andere mensen, maar hoe groeit een kleine barst uit tot een kloof? En waarom? Vragen ook in dit gedicht, waarin iemand tegelijkertijd een gevierd schrijver is en een dief, een dief die zelf weer beledigd en bestolen wordt:
Je wilt
een dak
boven je hoofd.
Een
gevierd schrijver
ben je al.
Je wordt
belogen
en bestolen.
Je wordt
beledigd
waar je loopt.
Iedereen
weet
wie je bent.
Je
bent een dief.
Je schrijft
gedichten.
Je wilt
een dak
boven je hoofd.
Waarom er gebeurt wat er gebeurt en welke eigenschappen deze ‘je’ precies bezit, krijgen we niet te lezen. Een gevierd schrijver wordt beledigd, belogen en bestolen en door ‘iedereen’ voor een dief uitgemaakt. Zijn succes wordt hem niet gegund. De laatste twee strofen zouden met elkaar in verband kunnen staan: ondanks alles draagt het schrijven van gedichten de belofte in zich van een dak boven het hoofd. Voorlopig is daar niet veel van terechtgekomen. Onderdak is iets wat nog steeds wordt gewild.
2.
In januari 1974 sprong Arends uit het raam van zijn Amsterdamse flat; hij woonde op de vijfde verdieping. Die dag had hij bij de binder een aantal exemplaren van zijn bundel Lunchpauzegedichten opgehaald; bij een boekhandel zou de bundel de volgende dag worden gepresenteerd. In 1972 was de verhalenbundel Keefman verschenen. Vooral het titelverhaal, een lange monoloog tegen een psychiater, maakte indruk. Luciditeit en gestoordheid waren onontwarbaar met elkaar verbonden:
Vriend,
Hoe vaak heb ik je al niet gezegd dat ik mij geheel wil inzetten voor de psychiatrisch gestoorde mens. En dan zit jij maar te lullen en met je hand over je kin te wrijven. Dat is zeker een tik van je? Altijd dat gepluk aan die kin. En dan de smoesjes die je verkoopt. Dat ik niet geschikt zou zijn voor de verpleging van psychisch of psychiatrisch gestoorde mensen omdat ik geen mulo-diploma zou hebben. Alsof dat ter zake doet of je diploma's hebt. Natuurlijk doet dat ter zake. Dat weet ik ook wel. Mijn hele leven is verpest door die rotdiploma's. Want zeg nou zelf vriend. Waarom hebben anderen wel diploma's en ik niet. Daar zit wat achter.
Het is kraakhelder proza, ‘uitgebeend’ volgens een recensentencliché, dat een halve eeuw later niets van zijn kracht heeft verloren en meteen duidelijk maakt wat er aan de hand is.
Een jaar na Keefman werd Arends geportretteerd in Het gat van Nederland, een VPRO-programma uit de Nederlandse documentaireschool met veel sfeerbeelden. Bijna terloops vertelt Arends over zijn maatschappelijk bestaan als huisknecht, bij voorkeur bij een ‘lekker ordinair wijf'. De woorden worden uitgesproken met een buitengewoon keurige dictie. Soms duurt zijn dienstverband een dag, soms een week, soms wat langer. Opvallend is de volstrekte ernst in dit relaas over een wonderlijke carrière; van enige ironie is geen spoor te bekennen. Het psychiatrische verleden blijft ongenoemd; Arends bracht zeven jaar door in klinieken en instellingen.
In Keefman was het psychiatrische volop aanwezig. Het zal bijgedragen hebben aan de weerklank die de verhalen vonden, vooral twee jaar later, na Arends’ dood. In de eerste helft van de jaren zeventig stond psychiatrische problematiek volop in de aandacht. Wereldwijd werden grote vraagtekens gezet bij de traditionele indelingen en de traditionele aanpak. In 1971 verscheen Wie is van hout van psychiater Jan Foudraine; van het boek werden in Nederland 200000 exemplaren verkocht. Vier jaar later werd het conflict gedramatiseerd in One flew over the cuckoo's nest, met een rebelse patiënt en een autoritaire hoofdzuster. De film werd bekroond met de vijf belangrijke Oscars en bracht meer dan 160 miljoen dollar op. ‘ik ben/ romantiek’ schreef Arends in het tweede gedicht dat ik citeerde. Hij moet die regels geschreven hebben voordat One flew over the cuckoo's nest uitkwam, maar ze geven goed weer hoe steeds vaker tegen een ziektebeeld als het zijne werd aangekeken: een stoornis getuigt op de een of andere manier van een zuivere geest in een onmenselijke wereld. Tegelijkertijd heeft de ‘ik’ in dit gedicht weinig op met die romantiek: de zelfkarakteriseringen die volgen zijn allesbehalve vrolijk en in de overige gedichten is het niet anders. Alle lucide vaststellingen doen niets af aan de realiteit van het lijden.
De opinies over Arends’ poëzie lopen meer uiteen dan de opinies over zijn verhalen. Voor Rudy Kousbroek is Keefman ‘een meesterwerk, naar mijn overtuiging een van de beste boeken die er in jaren in het Nederlands is verschenen, en onvergelijkelijk veel beter dan de gedichten.’ Die zijn ‘als gedichten’ mislukt – zoals veel in Arends’ leven mislukte. Inez van Dullemen, in hetzelfde aan Arends gewijde nummer van De Engelbewaarder: ‘(...) met zijn poëzie had hij het bij het rechte eind, was hij ons vooruit en zocht al naar een persoonlijke vorm, ontdaan van al de cliché-fraaiigheden waarmee wij in de weer waren.’ Beide oordelen zijn voorstelbaar, beide zijn ze ook in zekere zin gegrond. In de VPRO-uitzending las Arends één van zijn gedichten voor; wat het oor dan waarneemt klinkt als een niet helemaal coherente opsomming, zonder veel franje en zonder veel spanning. Wie zelf een gedicht van Arends leest, neemt door de indeling van de tekst op de pagina allerlei parallellen waar en ervaart door de korte strofen en de extreem korte regels een grote intensiteit – die door al die parallellen weer versterkt wordt. Bovendien zal een lezer van zo'n kort gedicht het gedicht automatisch gaan herlezen – dat lukt bijna binnen dezelfde oogopslag. Dat regels als ‘Je wilt/ een dak/ boven je hoofd’ enkele strofen later terugkomen, is een conclusie waaraan met geen mogelijkheid valt te ontkomen. Veel meer dan de luisteraar ervaart de lezer van dit gedicht een vorm van coherentie.
Daarmee radicaliseert Arends een traditie die teruggaat tot de dertiende eeuw en de opkomst van het sonnet: poëzie is niet een genre voor de menselijke stem en het gehoor – niet primair in ieder geval en ook niet voor een menselijke stem die alleen maar klinkt in de verbeelding. De ware verfijningen leveren zich uit aan een lezer die leest en herleest, ingewikkelde rijmschema's herkent, subtiele metaforen doorgrondt, octaaf en sextet op elkaar weet te betrekken, nadenkt over de portee van dat alles. De radicalisering is een twintigste-eeuwse traditie met in het Nederlands de Verzen van de vroege Marsman en een dichter als Van Ostaijen. Wat Arends onderscheidt is dat aan zijn typografische keuzes op zichzelf weinig betekenis kan worden gehecht. Van iconiciteit is niet of nauwelijks sprake. Al die door wit omringde korte regeltjes, soms bestaande uit niet meer dan één woord, zorgen primair voor een vorm van ritmiek, een ritmische geleding. Als er al wordt betekend, gaat het om aarzelingen, om uitstel van betekenis waarop iets min of meer verrassends volgt.
Taal die stroomt en de blik die fixeert en een ordening waarneemt: in 1975 radicaliseerde de dichter Jan Arends de condities van de moderne poëzie. Die condities schiepen een spanningsveld dat elke dichter dwong tot keuzes. Poëzie was eerst en vooral leespoëzie waarbij je, anders dan bij Arends, soms een gat in de bladzij moest turen om tot een coherente interpretatie te komen – als dat al lukte. De grote dichter in die jaren was Gerrit Kouwenaar die lezers, en dan vooral de neerlandici onder de lezers, lang bezig kon houden. Poëzie bezat een niet te ontkennen prestige, een intellectueel cachet. Dichtbundels werden uitvoerig besproken in de dagbladen en in weekbladen als Vrij Nederland. De ‘gewone’ lezer las die poëzie misschien niet, maar werd geconfronteerd met iets wat blijkbaar heel belangrijk werd gevonden.
Van de ogenschijnlijk simpele versregels van een dichter als Jan Arends lijken we daarmee ver verwijderd. Zijn poëzie bleef in meer dan één opzicht de poëzie van een buitenstaander. Toch doet ook zijn heel persoonlijke vorm vooral een beroep op de welwillendheid en concentratie van een lezer. Aan de activiteit van het lezen dankt zijn poëzie haar effect – exclusief misschien wel. Binnen het spanningsveld maakte Arends een radicale keuze en zoals dat gaat met radicaliteit: juist daardoor wordt het spanningsveld goed zichtbaar.
Hoe vaak heb ik je al niet gezegd dat ik mij geheel wil inzetten voor de psychiatrisch gestoorde mens. En dan zit jij maar te lullen en met je hand over je kin te wrijven. Dat is zeker een tik van je? Altijd dat gepluk aan die kin. En dan de smoesjes die je verkoopt. Dat ik niet geschikt zou zijn voor de verpleging van psychisch of psychiatrisch gestoorde mensen omdat ik geen mulo-diploma zou hebben. Alsof dat ter zake doet of je diploma's hebt. Natuurlijk doet dat ter zake. Dat weet ik ook wel. Mijn hele leven is verpest door die rotdiploma's. Want zeg nou zelf vriend. Waarom hebben anderen wel diploma's en ik niet. Daar zit wat achter.
Het is kraakhelder proza, ‘uitgebeend’ volgens een recensentencliché, dat een halve eeuw later niets van zijn kracht heeft verloren en meteen duidelijk maakt wat er aan de hand is.
Een jaar na Keefman werd Arends geportretteerd in Het gat van Nederland, een VPRO-programma uit de Nederlandse documentaireschool met veel sfeerbeelden. Bijna terloops vertelt Arends over zijn maatschappelijk bestaan als huisknecht, bij voorkeur bij een ‘lekker ordinair wijf'. De woorden worden uitgesproken met een buitengewoon keurige dictie. Soms duurt zijn dienstverband een dag, soms een week, soms wat langer. Opvallend is de volstrekte ernst in dit relaas over een wonderlijke carrière; van enige ironie is geen spoor te bekennen. Het psychiatrische verleden blijft ongenoemd; Arends bracht zeven jaar door in klinieken en instellingen.
In Keefman was het psychiatrische volop aanwezig. Het zal bijgedragen hebben aan de weerklank die de verhalen vonden, vooral twee jaar later, na Arends’ dood. In de eerste helft van de jaren zeventig stond psychiatrische problematiek volop in de aandacht. Wereldwijd werden grote vraagtekens gezet bij de traditionele indelingen en de traditionele aanpak. In 1971 verscheen Wie is van hout van psychiater Jan Foudraine; van het boek werden in Nederland 200000 exemplaren verkocht. Vier jaar later werd het conflict gedramatiseerd in One flew over the cuckoo's nest, met een rebelse patiënt en een autoritaire hoofdzuster. De film werd bekroond met de vijf belangrijke Oscars en bracht meer dan 160 miljoen dollar op. ‘ik ben/ romantiek’ schreef Arends in het tweede gedicht dat ik citeerde. Hij moet die regels geschreven hebben voordat One flew over the cuckoo's nest uitkwam, maar ze geven goed weer hoe steeds vaker tegen een ziektebeeld als het zijne werd aangekeken: een stoornis getuigt op de een of andere manier van een zuivere geest in een onmenselijke wereld. Tegelijkertijd heeft de ‘ik’ in dit gedicht weinig op met die romantiek: de zelfkarakteriseringen die volgen zijn allesbehalve vrolijk en in de overige gedichten is het niet anders. Alle lucide vaststellingen doen niets af aan de realiteit van het lijden.
De opinies over Arends’ poëzie lopen meer uiteen dan de opinies over zijn verhalen. Voor Rudy Kousbroek is Keefman ‘een meesterwerk, naar mijn overtuiging een van de beste boeken die er in jaren in het Nederlands is verschenen, en onvergelijkelijk veel beter dan de gedichten.’ Die zijn ‘als gedichten’ mislukt – zoals veel in Arends’ leven mislukte. Inez van Dullemen, in hetzelfde aan Arends gewijde nummer van De Engelbewaarder: ‘(...) met zijn poëzie had hij het bij het rechte eind, was hij ons vooruit en zocht al naar een persoonlijke vorm, ontdaan van al de cliché-fraaiigheden waarmee wij in de weer waren.’ Beide oordelen zijn voorstelbaar, beide zijn ze ook in zekere zin gegrond. In de VPRO-uitzending las Arends één van zijn gedichten voor; wat het oor dan waarneemt klinkt als een niet helemaal coherente opsomming, zonder veel franje en zonder veel spanning. Wie zelf een gedicht van Arends leest, neemt door de indeling van de tekst op de pagina allerlei parallellen waar en ervaart door de korte strofen en de extreem korte regels een grote intensiteit – die door al die parallellen weer versterkt wordt. Bovendien zal een lezer van zo'n kort gedicht het gedicht automatisch gaan herlezen – dat lukt bijna binnen dezelfde oogopslag. Dat regels als ‘Je wilt/ een dak/ boven je hoofd’ enkele strofen later terugkomen, is een conclusie waaraan met geen mogelijkheid valt te ontkomen. Veel meer dan de luisteraar ervaart de lezer van dit gedicht een vorm van coherentie.
Daarmee radicaliseert Arends een traditie die teruggaat tot de dertiende eeuw en de opkomst van het sonnet: poëzie is niet een genre voor de menselijke stem en het gehoor – niet primair in ieder geval en ook niet voor een menselijke stem die alleen maar klinkt in de verbeelding. De ware verfijningen leveren zich uit aan een lezer die leest en herleest, ingewikkelde rijmschema's herkent, subtiele metaforen doorgrondt, octaaf en sextet op elkaar weet te betrekken, nadenkt over de portee van dat alles. De radicalisering is een twintigste-eeuwse traditie met in het Nederlands de Verzen van de vroege Marsman en een dichter als Van Ostaijen. Wat Arends onderscheidt is dat aan zijn typografische keuzes op zichzelf weinig betekenis kan worden gehecht. Van iconiciteit is niet of nauwelijks sprake. Al die door wit omringde korte regeltjes, soms bestaande uit niet meer dan één woord, zorgen primair voor een vorm van ritmiek, een ritmische geleding. Als er al wordt betekend, gaat het om aarzelingen, om uitstel van betekenis waarop iets min of meer verrassends volgt.
Taal die stroomt en de blik die fixeert en een ordening waarneemt: in 1975 radicaliseerde de dichter Jan Arends de condities van de moderne poëzie. Die condities schiepen een spanningsveld dat elke dichter dwong tot keuzes. Poëzie was eerst en vooral leespoëzie waarbij je, anders dan bij Arends, soms een gat in de bladzij moest turen om tot een coherente interpretatie te komen – als dat al lukte. De grote dichter in die jaren was Gerrit Kouwenaar die lezers, en dan vooral de neerlandici onder de lezers, lang bezig kon houden. Poëzie bezat een niet te ontkennen prestige, een intellectueel cachet. Dichtbundels werden uitvoerig besproken in de dagbladen en in weekbladen als Vrij Nederland. De ‘gewone’ lezer las die poëzie misschien niet, maar werd geconfronteerd met iets wat blijkbaar heel belangrijk werd gevonden.
Van de ogenschijnlijk simpele versregels van een dichter als Jan Arends lijken we daarmee ver verwijderd. Zijn poëzie bleef in meer dan één opzicht de poëzie van een buitenstaander. Toch doet ook zijn heel persoonlijke vorm vooral een beroep op de welwillendheid en concentratie van een lezer. Aan de activiteit van het lezen dankt zijn poëzie haar effect – exclusief misschien wel. Binnen het spanningsveld maakte Arends een radicale keuze en zoals dat gaat met radicaliteit: juist daardoor wordt het spanningsveld goed zichtbaar.
Jan Arends, Nagelaten gedichten, Amsterdam 1975
Jan Arends, Keefman, Amsterdam 1972
Inez van Dullemen, 'Leefman'; in: Jan Arends (1924-1975), De Engelbewaarder jrg. 4, april 1979, p. 105-110.
Rudy Kousbroek, 'De eenzaamste man van de wereld', in: idem, p. 145-148.
Gert de Jager, 'Het geheim van het sonnet; de Tachtigers en de aantrekkingskracht van een literaire vorm', in: Nederlandse letterkunde 1 (1996), p. 341-354.
Het gat van Nederland, VPRO 12 april 1973.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten