vrijdag 7 juni 2024

Meegeven


Het laatste katern van de kat van de muziekschool lijkt iets van die harmonie te realiseren. Wat de vorm betreft is dit het meest regelmatige van alle ‘Velden'. Tekst staat alleen maar op de plaats waar je het zou verwachten: op de linker pagina, op een kwart van boven. Twee keer wordt minimaal gevarieerd op wat veel weg heeft van een muzikaal motief of thema en juist daardoor komt het beter uit Op de bladzijde daarna vinden we:   

om.’ 

opgelucht.’ 

 

Een punt en een aanhalingsteken: op één uitzondering na is dat de manier waarop overal tekst wordt afgesloten. Overal dus de suggestie van opgevangen taal. Het is ook de manier waarop het hele katern tot een afronding komt: de laatste bladzijden met ‘tekst’ bevatten alleen maar deze twee leestekens die een slot aangeven. Het is het slot van een katern en daarmee van het laatste katern in een cassette.  

 

Vóór dat slot bevat Veld 8 een aantal werkwoorden die lijken te verwijzen naar wat er in het katern zelf gebeurt. Aan het begin ‘ophalen’ en ‘aantonen’: een werkwoord dat zelf een begin aanduidt en een werkwoord dat, als het volstrekt geïsoleerd op een bladzijde staat, vooral zichzelf aantoont. Dat het aantonen belangrijk is, blijkt op de volgende bladzijde. Daar staat een synonieme omschrijving: ‘laten zien dat het zo is.'' - niet niks in poëzie die spaarzaam is met woorden. Op de bladzijden erna wordt de tijdsduur die met ‘ophalen’ zijn intrede had gedaan, vervolgd of uitgewerkt met maanden, jongeren, aanwaaien en doorbuigen. Op de regel onder ‘jongeren.'', met een punt en één aanhalingsteken bij Van Dixhoorn, staat een vinkje met meteen daarna ‘ook mee." Doen die jongeren ook mee? mee’ komt nog drie keer terug, twee keer in ‘meegeven'. Moet jongeren iets worden meegegeven? Of gaat het om meegeven in de betekenis van meebewegen? Het laatste is het meest waarschijnlijk. Zo wordt het woord geïntroduceerd: 

 

aanwaaien.’omzeilen.’ 

meegeven.’ 

 

Het zijn allemaal werkwoorden die iets aangeven dat zich voltrekt in de tijd. Er begint iets, je probeert het te ontwijken, je ontwijkt het niet langer. Dat kan voor heel veel gelden, maar ook voor de ervaring van verbondenheid die in dat tweelinggedicht, het doel van de opticien, zijn bekroning vond in een zichtbaar en tastbaar samengaan. Moest er iets overwonnen worden? Dat je dat moet proberen, is dat dan toch een boodschap die wordt meegegeven aan ‘jongeren'?  

 

Het enige woord dat niet als opgevangen taal wordt gepresenteerd is ‘drogen)’ - niet met een aanhalingsteken dus en wel met een rond teksthaakje. Dat komt ons bekend voor. In het vorige katern, Veld 7, werd ‘vis’ op dezelfde manier geïntroduceerd en toen het nog een keer terugkwam, zonder punt en haakje, gaf ik daar betekenis aan. Hier blijft het bij de introductie. Maar tussen de vis en het drogen wordt wel een betekenisrelatie gesuggereerd en die is nooit prettig voor de vis. In het harmonische dat Veld 8 van de kat van de muziekschool op alle manieren probeert uit te stralen, lijkt het wel een dissonant. En dat andere dier, die kat die rondscharrelt in of rond de muziekschool: voelt hij zich daar thuis?   


(Het veertiende deel van een serie over het doel van de opticien en de kat van de muziekschool van F. van Dixhoorn, gepubliceerd op https://gertdejager.blogspot.com/)

 

donderdag 6 juni 2024

Verdragen


Veld 7, het een na laatste katern in De kat van de muziekschool, lijkt in het teken te staan van scepsis en pessimisme. Wie de kat ook is, heel gelukkig lijkt hij of zij niet. Halverwege het katern vernemen we dat de zon terug is. We krijgen het te horen: de zin wordt afgesloten met een aanhalingsteken zoals dat gebeurt bij elke zin in dit Veld. Alleen tegen het slot zijn twee kleine woorden te vinden die blijkbaar niet van elders zijn opgevangen – twee keer hetzelfde woord.  

Aan het begin van het katern heeft iemand de zon nodig. Op de volgende bladzij: ‘verder kan’ ‘- met in de tekst een aanhalingsteken aan het slot dus. Kan iemand niet verder? Kan iemand weer verder? Wil iemand dat graag? De werkwoordsvorm ‘kan’ komen we vaker tegen en ook het in letters geschreven getal ‘tien’. Tot tien kunnen tellen: is dat de uitdrukking die op de achtergrond meespeelt?  We lezen het werkwoord ‘verdragen’ - ook niet direct afkomstig uit een levenslustig register. De meest opmerkelijke bladzijde in dit katern is deze: 

 

mits.’ 

als 't ‘m is.' 

als het mis is.’ 

 

Met minieme middelen wordt hier mooi en muzikaal gevarieerd, maar de emotie lijkt er een van angstige verwachting. Er moet aan een voorwaarde worden voldaan, maar het is lang niet zeker dat het zal gebeuren. Dat het mis is, is net zo goed mogelijk. 

 

Het woordje dat niet als de taal van een ander wordt gepresenteerd is ‘vis’. Voorzichtig doet het zijn intrede, met een rond teksthaakje aan het slot. De suggestie is dat het hele woord tussen haakjes staat. Even verder staat het alleen op een bladzijde. Het woordje ‘vis’ met het wit van de pagina zelf, een lege pagina ervóór en een lege pagina erachter: is het woord nu zelf als een vis in het water? Meteen volgt de laatste bladzijde: in herinnering brengen.’ - met een punt en een aanhalingsteken in de tekst. Wat moet in herinnering worden gebracht? Een oude toestand die door de herinnering een nieuwe toestand kan worden? Die van een vis in het water? De mogelijkheid van een harmonische verhouding met de omgeving? Wat doet een kat eigenlijk in een muziekschool?  


(Het dertiende deel van een serie over het doel van de opticien en de kat van de muziekschool van F. van Dixhoorn, gepubliceerd op https://gertdejager.blogspot.com/)

 

 

woensdag 5 juni 2024

Bij deze


De verre uittrap op de kaft van Veld 4 gaat over 23 lege bladzijden, een imaginair Veld 5 en komt dan neer in Veld 6. Niet op de plek waar je het zou verwachten: op de linker pagina, op een kwart van boven enz. Op de rechter pagina staat, ook niet op de plek waar je het zou verwachten: 

goedkomt
goed komt

De bal komt goed neer? Alles zal goed komen? De plek van het neerkomen kwamen we één keer eerder tegen: het is exact dezelfde plek op de pagina als die van de dramatische ‘r ‘ uit het vorige katern met tekst, Veld 3. Daaraan geef ik veel betekenis: de betekenis van een begin. Het neerkomen van de bal op nu weer een ‘echt’ veld: geeft dat vertrouwen? Er zijn nog veel bladzijden te gaan en de bal ligt nog niet in een doel. 

Wat de spatie doet in ‘goed komt’ lijkt een belangrijke rol te spelen in Veld 6. Op alle bladzijden, de lege en de bedrukte, manifesteren of tonen zich identiteit en verschil. ‘hetzelfde dan' wordt droog opgemerkt op de pagina na ‘goedkomt/goed komt’. Op de helft lezen we: ‘van en aan elkaar’; tegen het slot ‘hetzelfde/bij deze dan’. De schuine streep geeft hier geen nieuwe versregel aan, maar is een leesteken in Van Dixhoorns tekst. Op de voorlaatste pagina komen we de tekst van de eerste pagina tegen met daaraan toegevoegd een streep en ‘bij deze'. 'Bij deze' is een alledaagse uitroep die erop zou kunnen wijzen dat zich tussen beide pagina's een ontwikkeling heeft voorgedaan. Een, in deze tekst met deze pagina's, zichtbare ontwikkeling? 

Op één tekstpagina, vlak voor het midden, vinden we volstrekte identiteit: ‘ze ze’ staat er, niet meer dan dat. Tegen het slot volgen opeens drie lege pagina's elkaar op. Daarna de langste tekst uit het hele katern: 

zij dank
met recht
familie zeg

Ruw parafraserend: god of de hemel zij dank, wij lijken wel echt familie zeg. Wat is meer familie dan de lege pagina's er vlak voor? Kan ik dit alles lezen in het licht van 'het doel van de opticien’, waarin aan het aaneengeniete slot verbondenheid zichtbaar en tastbaar werd? Wordt die verbondenheid hier voorzichtig aangekondigd? Verbondenheid bestaat bij de gratie van identiteit en verschil. Wie identiek aan zichzelf was, was ‘ze’ en een ‘ze’ wordt door een ander waargenomen.

Veld 6 sluit verrassend af. Op een lagere plek dan je zou verwachten, staat ‘of toedoen'. Toedoen in de betekenis van ‘ertoe doen'? In de betekenis van ‘sluiten’, van de ogen bijvoorbeeld? In de betekenis van ergens aan toe- of afdoen? Dat woordje ‘of’ lezen we nog ook. In een dubbele polysemie worden identiteit en verschil niet alleen versterkt, maar in hun verbondenheid bijna zelf een fenomeen.

 

(Het twaalfde deel van een serie over het doel van de opticien en de kat van de muziekschool van F. van Dixhoorn, gepubliceerd op https://gertdejager.blogspot.com/)

 

 

 

 

dinsdag 4 juni 2024

Er


Na de presentatie van enkele aanwezigheden in Veld 2, de aanwezigheid van leven, een verleden en dichterlijk materiaal, lijkt Veld 3 in het teken te staan van zelfreflectie. Heel letterlijk: een tekst toont zichzelf door te verwijzen naar zichzelf. Twee woorden zijn belangrijk: ‘er’ en ‘plukje'. ‘Er' komt het meest voor, ‘plukje’ twee keer en dan alleen in de tweede helft van het katern.  

 

Die tweede helft wordt geïntroduceerd met een dramatische bladzij – de meest dramatische bladzij misschien wel in Van Dixhoorns oeuvre. Dat we na het nietje, op een rechter bladzij, alleen maar wit zien, zijn we wel gewend, maar we zien niet alleen maar wit. Op een plek waar je het niet zou verwachten, verschijnt een letter: een ‘r'. Het verschijnen wordt in de eerste helft aangekondigd. Twee tekstbladzijden daarvóór lezen we: 

 

r 

moet zijn 

een ding nog 

 

Waarom er nog een ding moet zijn, lezen we in de bladzijden daar weer voor. Het is weliswaar zomer, en dat moet het vooral blijven, maar het gaat ook in de zomer om meer dan aanwezigheid. Dat, voor alle duidelijkheid, is een parafrase: Van Dixhoorn heeft er negen woorden en een schuin streepje voor nodig. En veel paginawit. Het ding dat er moet zijn, lezen we, moet rijk zijn aan iets wat toeneemt en afneemt. In Veld 2 was het ‘leven’ dat toe- en afnam. Op de bladzijden die voor ons liggen, zien we kleine constellaties van woorden toe- en afnemen. Daaraan zijn we inmiddels gewend geraakt. Maar dan opeens die dramatische bladzijde. Er zij licht, er zij leven, er zij een ding, er zij dit gedicht? 

 

Meteen daarna, gewoon op de linker bladzijde en op de plek waar je het zou verwachten: ‘plukje'. Dat moet een zelfverwijzing zijn: een verwijzing naar de plukjes woorden die we lezen. Op de volgende bladzijden: nog een keer ‘plukje’ met wat andere tekst en, net als in Veld 2, een verwijzing naar het getallenprocedé in Van Dixhoorns vorige bundels. Gevolgd door 

 

heel anders aan) 

 

Een dichter deelt ons mee dat hij het nu heel anders aanpakt en al doende bewijst hij het. We naderen het eind van het katern. Op twee bladzijden vinden we alleen zo'n rond haakje. Het is duidelijk: hier neemt iets af. Alles in het katern dat geen tekst is met een betekenis die we in het woordenboek vinden, kunnen we metaforisch, iconisch of exemplificerend lezen - metaforisch of iconisch voor wat er is, of – zonder voorzetsel – dat exemplificerend.


(Het elfde deel van een serie over het doel van de opticien en de kat van de muziekschool van F. van Dixhoorn, gepubliceerd op https://gertdejager.blogspot.com/)

 

Erratapedia

Begaf zich, voor het eerst sinds enig medisch malheur, naar het centrum van de stad, stapte een boekwinkel binnen, zag een dichtbundel ligge...